Kunnen we het onmogelijke mogelijk maken?

De Tweede Kamer en de vakbonden hebben het Pensioenakkoord van 2010 en de uitwerking ervan in 2011 bekrachtigd. Over de uiteindelijke vormgeving van nieuwe pensioencontracten blijft nog veel onduidelijk. Het ministerie heeft in de komende maanden de gelegenheid om een aantal ongewenste effecten zoveel mogelijk te beperken.
Bart den Hartog AAG, Retirement Solutions Leader Nederland Towers Watson

Tussen nu en maart 2012 doet het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek naar een aantal onderwerpen dat bepalend is voor de uiteindelijke vormgeving. Het ministerie heeft in die maanden de gelegenheid om een aantal ongewenste effecten zoveel mogelijk te beperken. Het ministerie kan die gelegenheid te baat nemen om gehoor te geven aan de aanzwellende kritiek vanuit de publieke opinie en de brede oppositie onder jongerenorganisaties.

De pensioenwereld kent een zekere mate van behoudzucht. Behoudzucht is niet altijd de beste keuze, maar soms wel. De sociale partners zijn op sommige punten te behoudzuchtig geweest, waar dat niet had gemoeten. Op andere punten zouden ze juist minder behoudzuchtig moeten zijn.

Onbegrijpelijk en oneerlijk
Wie op pad wordt gestuurd met de opdracht een nieuw pensioensysteem te schetsen, zal graag voor de dag willen komen met een rapport waarin veel meer wordt voorgesteld dan de ambitie de regeling te verlagen. Toch was dat de meest logische conclusie geweest – hoe behoudzuchtig wellicht ook. Zekerheid (althans nagestreefde zekerheid) wordt duurder. De consequentie is dat als die prijs niet betaald kan worden de toezegging verlaagd wordt. De opstellers van het pensioenakkoord lijken echter een Grand Design voor ogen te hebben gehad. En dat is allerminst geslaagd, want de contouren voor het nieuwe contract leiden tot onbegrijpelijke en oneerlijke uitkomsten. Twee zaken waarmee de toekomstbestendigheid van het stelsel niet gediend is.

Die uitkomsten zijn het gevolg van de invulling van het Pensioenakkoord. De vormgeving van de contracten is juist te behoudzuchtig geweest. Collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling moesten als randvoorwaarde behouden blijven. Die vanzelfsprekendheid is een zwaktebod. Pensioenfondsen zullen uit moeten leggen waarom die kenmerken verkiezenswaardig zijn, om ze op grond daarvan te behouden. Dat zou het draagvlak, dat in de afgelopen jaren ernstig geschaad is, meer ten goede komen dan eenvoudig te stellen dat aan deze elementen niet valt te tornen. Het kan zijn dat deelnemers van de meerwaarde van collectiviteit, de (verzekeringstechnische) solidariteit en zelfs van verplichtstelling te overtuigen zijn. De exacte uitwerking van deze elementen moet wellicht heroverwogen worden.

Communicatieve uitdaging
De uiteindelijke vormgeving van de nieuwe contracten is zodanig dat de bestaande solidariteiten overeind worden gehouden door nieuwe, nog veel omvangrijkere solidariteiten in het leven te roepen. De omvang daarvan hangt met name samen met de uiteindelijke hoogte van de disconteringsvoet en de omzetting van bestaande aanspraken in het nieuwe contract. Deze beide kwesties zijn nog onderwerp van lopende onderzoeken. De omzetting van bestaande aanspraken – in vaktermen inmiddels ‘invaren’ genoemd – lijkt niet verplicht te kunnen worden. Daarmee wordt het herverdelingsvraagstuk des te ingewikkelder. Immers, in geval van vrijwillig invaren is de samenstelling en de omvang van de groep deelnemers die instemmen leidend voor de uitkomsten van die beslissing. De mate van onzekerheid, maar zelfs ook de verwachte waarde van de pensioenen na omzetting hangt daarvan af. Dat maakt dat het onmogelijk is om deelnemers een volledig beeld te schetsen van de gevolgen van hun beslissing voordat de reactie van alle andere deelnemers bekend is. Dat is op zijn zachtst gezegd een communicatieve uitdaging.

Verwachtingen
De beslissing voor het al dan niet invaren van oude rechten is voor veel deelnemers één van de belangrijkste financiële keuzes uit hun leven. Maar ook na die initiële beslissing wordt de communicatie over zacht pensioen een hachelijke onderneming. Neem alleen al het begrip ‘verwachting’. In de perceptie van deelnemers heeft dat begrip een veel rooskleurigere connotatie dan in de mathematische opvatting ervan die in pensioencommunicatie zal worden gebruikt. Wie wordt verteld dat zijn maandelijks pensioen naar verwachting 1.000 euro per maand zal zijn zal met een kans van 50% het gevoel hebben bedrogen uit te komen. Zelfs als het rekenmodel klopt.

Wat nu? Ik ben van mening dat pensioenfondsen, maar vooral ook werkgevers, er goed aan doen om onder ogen te zien dat pijnlijke beslissingen weleens onontkoombaar zijn. Dat betekent dat rechtenkorting in veel gevallen serieus overwogen moet worden. Welk deel van het salaris wil een werknemer voor nieuwe opbouw besteden aan de oude dag? Dat is een beslissing die werknemers alleen kunnen nemen als ze de waarde van hun pensioen kennen. Begin dus door ondoorzichtige herverdelingen weg te nemen, zodat iedereen de waarde van zijn eigen toezegging kent. Maak het logisch verband tussen premie en opbouw voor deelnemers inzichtelijk. Het Nederlandse pensioensysteem kan dan door de eigenaren ervan gedragen worden en zo geleidelijk evolueren in een meer toekomstbestendig systeem. Met behoud van collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling – als diezelfde deelnemers daarvoor kiezen. Maar niet gewoon omdat het moet. Hierbij is eenvoud te verkiezen boven ingewikkelde voorwaardelijke stelsels. Het is moeilijk een draagvlak te creëren met zaken die nauwelijks uit te leggen zijn.

Dat lijkt de aangewezen weg. Het is misschien weinig innovatief, wellicht behoudzuchtig, of misschien zelfs saai. Maar het is beter de realiteit nu onder ogen te zien en eerlijk te zijn, dan door kunstgrepen te proberen het onmogelijke mogelijk te maken.

Reacties zijn gesloten.