Het nieuwe contract – het nieuwe normaal?

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 1 2021

WILSE GRAVELAND EN FRANK VAN DER PLOEG, FIDUCIAIR MANAGERS BIJ VAN LANSCHOT KEMPEN
Rubriek: Beleid
Geplaatst op 11-03-2021

Het nieuwe contract – het nieuwe normaal?
Het nieuwe contract – het nieuwe normaal?

Nederland krijgt een nieuw pensioenstelsel. Of beter gezegd, Nederland hervormt zijn collectieve uitkeringsregelingen naar collectieve premieregelingen. Het nieuwe contract wordt doorgaans gepresenteerd als de logische opvolger van een CDC-regeling, met de Wet verbeterde premieregeling+ (WVP+) als alternatief. Is dat alternatief echt tweede keus, of zouden pensioenfondsen open moeten staan voor ‘de grote stap naar DC’?

Het huidige pensioenlandschap valt grosso modo uiteen in twee delen: de uitkeringsregelingen en premieregelingen.

De uitkeringsregelingen kunnen gesplitst worden in ‘echt DB’ en de huidige standaard CDC-regeling. Binnen premieregelingen hebben we enerzijds individueel DC (IDC) zoals aangeboden door verzekeraars en PPI’s. Daarnaast is er collectief individueel DC (CIDC), waar een pensioenfonds het beleid bepaalt voor de deelnemers, maar waarbij deelnemers nog altijd eigen beleggingen hebben. Al deze regelingen hebben hun voor- en nadelen.

Het nieuwe contract wordt soms gepresenteerd als een wondermiddel, maar is in feite een kruising tussen twee bestaande contracten: CDC en CIDC. Er wordt collectief belegd, maar deelnemers krijgen op basis van vooraf vastgestelde rekenregels eigen rendementen op eigen vermogen toegewezen. De WVP+ is in feite gelijk aan de huidige CIDC-variant. Nieuw is dat het als expliciete optie wordt genoemd dat een collectieve uitkeringsfase kan worden aangeboden. Individuele opbouw met collectieve uitkering is conceptueel gelijk aan wat wij een ‘hybride pensioenregeling’ noemen.

Nieuw contract versus WVP+
Zowel het nieuwe contract als de WVP+ zijn premieregelingen. Er zijn geen expliciete pensioenaanspraken en deelnemers hebben een eigen vermogen. Het grote verschil is echter dat het nieuwe contract beleggingen impliciet toekent aan deelnemers terwijl de WVP+ dit expliciet doet. Ook is vanuit het oogpunt van solidariteit in het nieuwe contract voorzien in een solidariteitsbuffer. Als het goed gaat wordt een deel van het rendement in de buffer gestopt, als het slecht gaat wordt het rendement deels aangevuld uit de buffer.

Collectief beheer, solidariteit, een buffer. Dit klinkt als een variant op de CDCregelingen. In werkelijkheid ligt het nieuwe contract echter dichter bij CIDC. Het is daardoor mogelijk om veel meer te differentiëren tussen deelnemers als het gaat om hun persoonlijke beleggingsrisico’s én hun bijdrage aan of opname uit de buffers. In de bestaande CDC-regelingen is het daarentegen ‘one size fits all’. Dit is een forse verbetering, maar de prijs hiervoor is complexiteit.
Persoonlijk vermogen en persoonlijk risico vormen de basis, maar de regels rondom vaststelling en toewijzing van deze rendementen zijn complex en subjectief. Dit kan onbegrip en ontevredenheid bij deelnemers voeden. Bovendien komt een zware zorgplicht bij fondsbestuurders te liggen. Dat komt doordat het overrendement, dat met name jongeren zullen ontvangen, feitelijk de sluitpost is na het uitdelen van beschermingsrendement. Impliciet kunnen jongeren daarom onbedoeld met een hefboom beleggen. Wat als het fonds de collectieve portefeuille foutief heeft ingericht en deze sluitpost zeer negatief uitvalt? Kunnen jongeren dan al hun geld verliezen, of zelfs met een schuld aan de ouderen eindigen?

De WVP+ voorkomt dit probleem, omdat deelnemers niet alleen een eigen vermogen hebben, maar ook eigen beleggingen. Dit verschil lijkt semantisch, maar is het niet. Als iedereen eigen beleggingen heeft (die weliswaar collectief beheerd worden) kan er nooit discussie zijn over wie recht heeft op welk rendement. Ook is er nooit een onbedoelde herverdeling. Als in deze situatie het pensioenfonds een fout maakt zal deze beperkt blijven tot een ‘normaal’ te hoog of laag risicoprofiel. Van hefbomen kan geen sprake zijn (althans niet onbewust), en er is veel ondersteunend materiaal als het om traditioneel lifecycle-beleggen gaat.

Verschil in uitkeringsfase
Bij de WVP+ wordt doorbeleggen na pensioneren de default, een verdere evolutie na de introductie van de variabele uitkering in 2016. Collectief doorbeleggen (wellicht in de vorm van het nieuwe contract) wordt hierbij expliciet genoemd als optie, en dit biedt mogelijkheden om de uitkering te stabiliseren ten opzichte van individueel doorbeleggen. Gevolg is dat meer risico genomen kan worden in beleggingen, wat naar verwachting een beter pensioen oplevert. Tot slot kan het pensioenfonds zorgen dat de lifecycle perfect aansluit op deze default. Aangezien meer dan 90% van de deelnemers kiest voor de standaard is de toegevoegde waarde hiervan aanzienlijk. Dit alles lijkt sterk op het hybride pensioen dat nu al door enkele fondsen wordt aangeboden, waar in CIDC opgebouwd wordt en in CDC uitgekeerd. Voordeel van deze nieuwe constructie is dat gepensioneerden risico op maat krijgen in plaats van de eerdergenoemde ‘one size fits all’ aanpak van CDC.

Keuzevrijheid in de vorm van shoprecht blijft bij de WVP+ vooralsnog toch bestaan. Het nieuwe contract biedt feitelijk geen keuze. De deelnemer blijft bij het fonds, dat wellicht voor de uitkeringsfase wél verschillende risicoprofielen kan aanbieden.

Invaren: oud versus nieuw
Een groot vraagstuk is het invaren van de oude rechten. Hierbij moeten de bestaande aanspraken omgezet worden in een persoonlijk vermogen. Hier zit weinig verschil tussen het nieuwe contract en de WVP+: dit zal in veel gevallen een laatste harde discussie worden over de rekenrente, verwachte rendementen en wie wat heeft bijgedragen. De bedenkers van het nieuwe stelsel hebben gezegd dat het nieuwe contract een einde maakt aan kortingen. Vooruitlopend op de invoering wil men daarom bestaande rechten ook niet meer korten conform de huidige regels als dit in het nieuwe stelsel niet zou gebeuren. Anders wordt gedreigd geen steun te verlenen aan de hervormingen. Dit is paradoxaal. In beide nieuwe stelsels is van korten en indexeren überhaupt geen sprake meer en neemt de onzekerheid voor deelnemers toe. In het huidige stelsel is de hoge mate van zekerheid een fundament en daar hoort de lage rekenrente nu eenmaal bij. Die lage rente leidt nu voor het eerst ooit tot grootschalige kortingen, maar deze mogen geen reden zijn het nieuwe stelsel te vertragen. Daarnaast wordt vaak de aanname gedaan dat iedereen in het nieuwe stelsel erop vooruitgaat. Dit is gebaseerd op aannames over toekomstige rendementen, waarbij de vraag zich aandient of het juridisch stand zal houden als deelnemers de omzetting van oude rechten in nieuw vermogen zullen aanvechten.

Belangrijk is dat ‘niet kiezen’ ook een keuze is. Bij niet invaren blijft de huidige regeling in stand en worden de aanspraken verdeeld conform de regels van het FTK. Onduidelijk is wat die regels in de toekomst zullen zijn. Uiteindelijk is het aan het fondsbestuur om aan te tonen wat het meest evenwichtig is: invaren (en hoe dan) of niet.

Het ligt voor de hand dat áls wordt gekozen voor invaren, dit gebeurt naar de regeling waar ook de nieuwe opbouw in plaatsvindt. Dit is echter niet verplicht.

Wat te doen: nieuw contract of WVP+?
Wat zijn de afwegingen voor sociale partners wanneer zij op korte termijn een keuze moeten maken tussen deze twee alternatieven?
- Uitlegbaarheid. De expliciete toewijzing van de WVP+ maakt dit de grote winnaar.
- Efficiëntie. Hier scoren beide regelingen gelijk, omdat de onderliggende voor- en nadelen van lifeycles voor beiden gelden.
- Tijdigheid. Wachten op het nieuwe contract betekent vermoedelijk nog 5 jaar doorgaan op de huidige voet. Nieuwe rechten opbouwen in de WVP+ is relatief eenvoudig.
- Solidariteit. De echte solidariteit van de CDC- en DB-regelingen is uiteraard verdwenen, maar de mogelijkheid van een buffer en het feit dat ouderen door de boekhoudkundige toewijzing perfect beschermd kunnen worden maakt het nieuwe contract hierin de betere optie.
- Keuzevrijheid. CIDC- en IDC-regelingen kennen al keuzevrijheid voor deelnemers als het gaat om hun risicoprofiel, de WVP+ lijkt hier ook in te gaan voorzien. Het nieuwe contract echter niet, vermoedelijk omdat het risico op fouten door het bestuur en de gevolgen daarvan voor jongeren nog verder zal toenemen. Ook in de uitkeringsfase biedt de WVP+ flexibiliteit.
- Risico’s. De flexibiliteit van de WVP+ is ook een risico. Deelnemers maken vaak keuzes die niet per se in hun eigen belang zijn. De mate van keuze is aan het fondsbestuur, dus dit risico kan goed beheerst worden.
- Juridische implicaties. Als invaren van oude rechten complexer is dan nu wordt gedacht, komt dit vermoedelijk door onduidelijkheid over eigendom bij een collectieve regeling. In dat geval is een regeling met maximale helderheid over eigendomsrechten meer toekomstbestendig, en heeft de WVP+ de voorkeur.

Conclusie
Discussies over de overgang naar het nieuwe stelsel gaan vaak over het nieuwe contract. Dit is logisch, omdat pensioenfondsen gewend zijn vanuit het collectief te denken. Het nieuwe contract poogt echter het individu en het collectief te verenigen op een manier die nog nooit eerder gehanteerd is en waarvan de gevolgen nog zeer moeilijk te overzien zijn. De WVP+ is een verbeterde versie van een beproefd concept, en zou daarmee wel eens de veiliger optie kunnen zijn.