Het pensioenakkoord in Europees perspectief

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 3 2020

WICHERT HOEKERT, HOOFD VAKTECHNIEK EN LID RETIREMENT LEADERSHIP TEAM BIJ WILLIS TOWERS WATSON Rubriek: Beleid
Geplaatst op 23-06-2020
Het pensioenakkoord in Europees perspectief Om het jaar brengt de OECD een rapport uit waarin het pensioensystemen in aangesloten landen ‘in een oogopslag’ tegen het licht houdt én vergelijkt: de ‘Pensions at a Glance’ rapporten. De rapporten bieden een rijkdom aan cijfers en grafieken. In dit artikel ga ik in op de vraag hoe het pensioenakkoord het Nederlandse pensioensysteem beïnvloedt, in verhouding tot de situatie in andere OECD-landen.

Voor dit artikel gebruik ik de laatste versie van Pensions at a Glance, die op 27 november 2019 werd gepubliceerd. In het rapport wordt nauwelijks ingegaan op het pensioenakkoord, behalve als het gaat om de ingrepen in de toekomstige aanpassing van de AOW-leeftijd. De OECD plaatst dat in een breder kader van afnemend momentum voor pensioeningrepen. Hier en daar zien de auteurs van het rapport dat eerder aangekondigde maatregelen zelfs worden teruggedraaid. Als mogelijke verklaringen worden een zekere hervormingsmoeheid en wijzigend politiek klimaat genoemd. In dat licht wordt ook de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd beschouwd. Dat is wat mij betreft een onterecht frame, want die temporisering moet in samenhang worden bezien met een totaalpakket dat wel degelijk hervormingen bevat die de toekomstbestendigheid van het Nederlandse stelsel verbeteren. Bovendien blijft de Nederlandse pensioenleeftijd ook met die temporisering in toekomstige jaren één van de hoogste in Europa.

Armoede onder ouderen
De OECD spreekt zich uit voor een automatische koppeling van de pensioenleeftijd met de resterende levensverwachting, al wordt daar wel bij aangetekend dat daar een herverdelende werking vanuit gaat. De stijging van de pensioenleeftijd treft lager gesalarieerde werknemers immers harder, vanwege hun lagere levensverwachting. In de discussie over zware beroepen heeft dat element ook in Nederland de aandacht.

In veel opzichten verhoudt het Nederlandse pensioensysteem zich positief tot zeer positief ten opzichte van de het OECD-gemiddelde. Zo is armoede onder ouderen in Nederland lager dan elders. Gemiddeld leeft ongeveer 13% van de mensen van 75 jaar en ouder in armoede, in Nederland is dat ongeveer 3%. Alleen in IJsland en Denemarken ligt dat percentage nog iets lager. In termen van vervangingsratio’s leidt het Nederlandse systeem tot de kleinste verschillen tussen inkomensgroepen. Voor werknemers met lagere inkomens is die vervangingsratio overwegend toe te schrijven aan de eerste pijler, voor werknemers met hogere inkomens aan de tweede pijler. Over de afgelopen tien jaar behoren de rendementen die door Nederlandse pensioenfondsen zijn gemaakt tot de hoogste in de OECD. In reële termen zijn de rendementen zelfs de hoogste van de OECD. Over een periode van vijf of vijftien jaar is dat overigens niet het geval.

Zelfstandigen te weinig pensioenopbouw

Een in het oog springende uitzondering is de positie van zelfstandigen. Vanwege de groei in afwijkende arbeidsvormen is dat een hoofdthema van het rapport. In Nederland bouwt een zelfstandige gemiddeld slechts 39% op van het pensioen dat een werknemer met hetzelfde inkomen zou verdienen. Gemiddeld is dat in de OECD 79%. Nederland is, stelt de OECD, één van de slechts zes aangesloten landen waar zelfstandigen niet verplicht deelnemen aan tweedepijlerregelingen. Het pensioenakkoord stelt tot doel de participatie onder (én de toegankelijkheid voor) zelfstandigen te verbeteren. Verplichtstelling is overwogen, maar het is daar niet van gekomen. Uitzondering daarop vormt overigens de verplichte deelname in enkele beroepspensioenfondsen. De OECD pleit onomwonden voor verplichte pensioenopbouw voor zelfstandigen, onder meer om oneigenlijke prikkels (zowel voor werkgevers als voor werknemers) om over te gaan op zelfstandigheid weg te nemen. Daarbij worden wel verschillende complicaties benoemd, waaronder de wijze waarop het pensioengevend inkomen voor zelfstandigen moet worden gedefinieerd. Ook laat het onderscheid tussen werkgevers- en werknemersbijdrage dat geldt voor werknemers zich niet eenvoudig vertalen naar de situatie van een zelfstandige. Dat alles maakt geheel gelijke behandeling vermoedelijk onmogelijk. Een tweede uitgesproken negatief aspect is het verschil in pensioeninkomen tussen mannen en vrouwen. In de OECD is dat verschil gemiddeld 25%, in Nederland meer dan 40%. Dat grote verschil laat zich onder meer verklaren door lagere inkomens en deeltijdwerk.

Gevolg regelingen

De OECD schaart de overgrote meerderheid van de regelingen van Nederlandse pensioenfondsen onder de categorie DB-regelingen. Het speelt daarbij geen rol dat het uitkeringsovereenkomsten betreft waar indexatie vrijwel altijd voorwaardelijk is en waar kortingsmaatregelen tot de mogelijkheden behoren. In dat perspectief is de contractswijziging die het pensioenakkoord nastreeft binnen de grofmazige categorisering in Pensions at a Glance nauwelijks relevant. Eén of meerdere toekomstige Nederlandse contractsvarianten worden in die categorisering in de toekomst wellicht als premieovereenkomst gezien.

De afschaffing van de doorsneesystematiek blijft ook onbenoemd. Andere internationale instanties, zoals het IMF1 en (explicieter nog) de Europese Commissie2, noemden de intergenerationele herverdelingen ten gevolge van de doorsneesystematiek eerder een zwak punt van de Nederlandse economie. Wel benoemt de OECD dat de huidige lage rente kan leiden tot andere afwegingen over de balans tussen omslag- en kapitaaldekking. Daarbij zal ongetwijfeld niet gedoeld zijn op de afschaffing van het omslagelement in het Nederlandse kapitaalgedekte stelsel. Zijdelings gaat het rapport in op keuzevrijheid in de vorm van onttrekking aan pensioen voor de pensioendatum. In veel landen kan dat en in Nederland is dit onderwerp van gesprek. De OECD stelt dat dit beperkt zou moeten blijven tot uitzonderlijke omstandigheden.

Conclusie
De wijzigingen die het pensioenakkoord beoogt zullen de indruk van het Nederlandse stelsel in een volgend OECD-rapport niet ingrijpend beïnvloeden. Niet ten slechte, maar ook maar in beperkte mate ten goede. De afschaffing van de doorsneesystematiek zal wellicht het verschil in pensioeninkomen tussen mannen en vrouwen iets verkleinen. Het zwaartepunt van de pensioenopbouw verschuift daardoor immers naar jongere leeftijden, waar de arbeidsmarktpositie van vrouwen minder verschilt van die van mannen. De pensioenopbouw voor zelfstandigen zal vrijwillig blijven. Die beide aspecten zullen dus naar verwachting negatief blijven afsteken tegen het gemiddelde van de OECD.

1 IMF 2019, Country Report No.19/45.
2 European Commission 2019, SWD 2019 (1018) final, Commission staff working document, Country Report The Netherlands.