Nederlandse pensioenambitie in Europese context

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 3 2020

MATTHIES VERSTEGEN, ADVISEUR EUROPESE ZAKEN, PENSIOENFEDERATIE en DR. CHRISTOS LOUVARIS FASOIS, BELEIDSADVISEUR, EUROPEAN ASSOCIATION OF PARITARIAN INSTITUTIONS Rubriek: Beleid
Geplaatst op 30-06-2020
Nederlandse pensioenambitie in Europese context Er is nog veel onduidelijkheid over het nieuwe pensioencontract. Toch stond er één element zwart op wit in de voorlopige overeenkomst met de sociale partners. Het streven naar een pensioen van 80% middelloon na een carrière van 42 jaar. Dit betekent dat het ambitieniveau van het tweedepijlerpensioen behouden blijft. Zelfs wanneer we naar een meer ‘DC-achtig’ contract gaan en bij een zeer lage rente.

clf

Christos Louvaris Fasois

Maar hoe laat zich dit element van ons stelsel vergelijken met andere landen? Is deze ambitie hoog, hoe vertaalt dit zich door naar vervangingsratio’s en worden ambities überhaupt wel zo concreet gedefinieerd?

Europese vervangingsratio's
Het is algemeen bekend dat Nederland een van de beste kapitaalgedekte pensioensystemen heeft. We staan zoals gebruikelijk op de eerste plaats in Mercers internationale vergelijking van pensioensystemen. We nemen een trouwe plaats in op de top-3 van Mercers internationale vergelijking van pensioensystemen. Sinds 2018 staan we op de eerste plaats. Alhoewel er in de meeste Europese landen een bepaalde mate van pensioensparen in de tweede pijler plaats vindt, zijn de premies vaak laag en vallen grote delen van de beroepsbevolking buiten de boot. Dit is zeker het geval in Zuid- en Oost-Europa. Het meest vergelijkbaar met Nederland zijn de Scandinavische landen, waar de sociale partners nog steeds een grote rol van betekenis spelen. Het VK was lang ‘dat andere grote DB-land in Europa’, maar de nieuwe opbouw is hoofdzakelijk DC met fors lagere premies. Wel met een grote reikwijdte vanwege auto-enrolment. Bij de buren Duitsland en België is de tweede pijler een beetje een lappendeken. In sommige sectoren genereus en in andere ontbrekend. Waar in Europa de tweede pijler geen grote rol speelt, leunt men vooral op de eerste pijler om individuen van een adequaat pensioen te voorzien.
Internationale vergelijkingen van pensioensystemen kijken vaak naar twee doelstellingen:
- Bescherming tegen ouderdomsarmoede.
- Behalen van een goede vervangingsratio (het inkomen na pensionering in vergelijking met het inkomen daarvoor).

Kapitaalgedekte systemen, en Nederland in het bijzonder, slagen in het behalen van beide. Er zijn ook eerstepijlersystemen die dat nog in zekere mate doen, maar de vraag is hoelang dat dat financieel houdbaar blijft.

pf1
Bron: Pension Adequacy Report, Europese Commissie, 2018

De EU meet ouderdomsarmoede middels de At-Risk- Of-Poverty (AROP) indicator, waarbij alle vormen van inkomen van gepensioneerden worden meegenomen en worden afgezet tegen het nationale mediaaninkomen. Daarmee scoren rijke landen niet per se beter dan arme. De grafiek maakt duidelijk dat, ook met name dankzij de AOW, ouderen in Nederland niet in een armoedeval raken, vergeleken met andere Europese landen.
Het vergelijken van vervangingsratio’s tussen landen is een complexere zaak, omdat er veel keuzes gemaakt moeten worden wat mee te wegen. De EU kijkt bijvoorbeeld naar Theoretical Replacement Rates, waarbij gekeken wordt naar het inkomen van een hypothetisch gemiddeld individu met een 40-jarige carrière voor en na pensionering in 2016. De uitkomsten zijn sterk afhankelijk van de aannames, dus het Nederlandse resultaat van 102% kan vooral gebruikt worden om de vergelijking te maken met andere EU-lidstaten. Ook in de OECD-statistieken scoort Nederland goed op het gebied van vervangingsratio’s1.

Gebrek aan concrete ambitie
Nederland scoort dus zeer goed op het gebied van adequaatheid en dat ligt deels aan het feit dat wij onze pensioenambitie concreet gedefinieerd hebben. Hoe zit dat in andere landen om ons heen? Een paar voorbeelden.

pf2

De Nationale Pensioen Commissie bekeek de auto-enrolment bij de introductie in het VK. De ambitie voor mediaaninkomens was van 67%. De wettelijk vastgelegde minimumpremie van 8% zou daarvoor aangevuld moeten worden. Hiervoor is een extra vrijwillige bijdrage van werkgevers of werknemers nodig. Dat is in het afgelopen jaar niet gebeurd. Hiermee lijkt de ambitie verre van gehaald te worden en ontbreken er mechanismen om daar iets aan te doen. In Duitsland legt de wet een expliciet doel vast voor het omslagstelsel in de eerste pijler, namelijk 48%. Voor werknemers in sommige sectoren is er een goed aanvullend pensioen geregeld. Maar in andere sectoren helemaal niets, waardoor er een grote verantwoordelijkheid bij individuen komt te liggen om te bepalen of ze genoeg sparen.
Denemarken staat met grote pensioenpotten en brede dekking als goed pensioenland te boek. De sociale partners in dit land hebben geen expliciet ambitieniveau opgeschreven. Denemarken wil ongeveer op twee derde van het inkomen tijdens de loopbaan uitkomen, maar men accepteert dat, vanwege het DC-karakter, het pensioen fluctueert.
Interessant genoeg vinden de Denen het systeem eerlijk omdat de premie over lange tijd stabiel blijft en iedereen gedurende zijn loopbaan ongeveer hetzelfde inlegt. Zelfs al leidt dit tot verschillende pensioenresultaten voor verschillende generaties. Nederlanders vinden het juist eerlijk dat de uitkering dezelfde is, ongeacht wat verschillende generaties daarvoor hebben ingebracht.

Internationaal
Een gezamenlijke ambitie voor de eerste en tweede pijler lijkt internationaal dus vrij uniek. Het is natuurlijk zo dat de eerste pijler in veel landen direct gelieerd is aan inkomen en carrière en daarmee impliciet een ambitieniveau heeft. Maar waar de tweede pijler dient bij te dragen aan het pensioeninkomen, leggen noch overheden, noch sociale partners een expliciet ambitieniveau op stelselniveau vast. Een recente inventarisatie van de OESO stelde dat specifieke doelen eigenlijk overal ontbreken. Er wordt gedacht dat de vuistregel ‘twee derde van het middelloon’ wel voldoende is. Het lijkt erop dat er niet strikt gemonitord wordt of zo’n globale doelstelling wel gehaald wordt. Daardoor ontbreken mechanismen om bij te sturen2.

De concrete ambitie in het pensioenakkoord zal ervoor zorgen dat de Nederlandse vervangingsratio’s internationaal tot de hoogste blijven behoren. Andere landen zouden ook explicieter na moeten denken over ambitieniveaus. De Nederlandse pensioensector zal deze noodzaak op Europees niveau aankaarten.

1 OESO, ‘Pensions at a Glance’, 2019.
2 OESO, ‘A discussion of approaches and challenges when assessing the adequacy of funded pensions’, 2019.