Persoonlijk pensioen, wat is wijsheid?

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 2 2018

Jan Tamerus, Master Actuariaat & ALM bij PGGM en pensioenadviseur van de VCP Rubriek: Beleid
Geplaatst op 16-05-2018
Persoonlijk pensioen, wat is wijsheid? Een persoonlijk pensioen, in collectief verband en met collectieve risicodeling. Als het aan het nieuwe kabinet ligt, zijn we in Nederland daarnaar op weg. Maar, het verzet vanuit de pensioensector is groot. Het lijkt erop dat het kabinetsvoornemen het verzet nog verder heeft aangewakkerd. Wat is wijsheid voor minister Koolmees, die uitdraagt dat hij de stelselwijziging niet zonder het draagvlak van de pensioenpolder wil doorvoeren?

Historie in het kort
Is het wenselijk of nodig om ons pensioenstelsel aan te passen om de veranderende arbeidsmarkt (flexwerk, zzp-schap, meer en meer flexibele leef- en arbeidspatronen, steeds kortere levenscyclus van ondernemingen) en de roep om meer maatwerk en keuzevrijheid te accommoderen en om het tanende vertrouwen van met name jong (oud eet de pot leeg en laat niets voor ons over) en oud (jong betaalt te weinig premie en wij betalen de indexeringspotentie en het langer leven van jong) te herwinnen? En zo ja, hoe dan? Over deze maatschappelijke houdbaarheidsvragen ging de pensioendialoog. In de PerspectiefNota van medio 2016 trok staatssecretaris Klijnsma haar conclusies. De doorsneesystematiek moet worden afgeschaft, de doorsneeopbouw wordt voortaan een degressieve opbouw. Actuarieel faire opbouw past op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en haalt de continue overdracht van jong naar oud uit het stelsel. Er moet maatwerk komen dat er voor zorgt dat jong en oud beleggings- en renterisico krijgen naar draagkracht. Er moet meer keuzevrijheid komen om in te spelen op persoonlijke wensen en omstandigheden. Alle werkenden moeten een adequaat pensioen kunnen opbouwen, niet te weinig maar ook niet teveel. Maar, zo stelt de Nota, de voor het pensioenstelsel zo belangrijke waarden collectiviteit, solidariteit en de onderneming- en bedrijfstakgewijze verplichtstelling moeten blijven. Zeer geïnteresseerd volgt Klijnsma de SER.

Persoonlijk pensioen met collectieve risicodeling
Grosso modo komt de SER tot dezelfde conclusies ten aanzien van de noodzaak en de richting van de doorontwikkeling van ons pensioenstelsel, zij het dat de SER aarzelingen heeft bij de noodzaak van meer keuzevrijheid en bij het afschaffen van de doorsneesystematiek. Dat laatste vooral vanwege de compensatielast die dat met zich meebrengt. De huidige actieven verliezen een stuk pensioenopbouw en daar moet compensatie voor komen. En ook de SER hecht sterk aan de collectiviteit, solidariteit en de huidige vormen van verplichtstelling. Dit heeft geleid tot een prototype van een persoonlijk pensioen met collectieve risicodeling. In de opbouwfase een persoonlijk pensioen dat bij pensioeningang wordt ingebracht in een uitkeringscollectief. Beide fases worden risicodelend met elkaar verbonden door een collectieve ingedeelde buffer. Een uitdagende pensioeninnovatie. De opbouwfase zorgt voor de accommodatie van de maatschappelijke houdbaarheidsvragen, de uitkeringsfase en ongedeelde collectieve buffer zorgen voor de borging van de voor ons pensioenstelsel zo essentiële waarden. Bij zijn voornemens staat het nieuwe kabinet een contract als dit voor ogen.

Veel verzet en SER is er zelf nog niet uit
Er is erg weinig animo in het pensioenveld om de overstap te maken naar zo’n nieuw pensioencontract. Het voornemen van het nieuwe kabinet om door te zetten werkt als een katalysator voor het verzet. In het pensioenveld heeft men de idee dat de overstap naar zo’n contract een soort overgang van de ‘Rubicon’ is. Deelnemers zien voors en tegens, maar hun belangrijkste vraag is toch deze: hoeveel pensioen kan ik uit mijn pot verwachten? Is dat dan genoeg (normering wordt gezocht)? Hoe zeker is het? Wanneer kan ik met pensioen? Allemaal vragen over het pensioendoel en het kunnen bereiken daarvan.

De SER snapt de zorgen uit het pensioenveld en is er zelf ook nog niet uit. Er wordt gezocht naar mogelijkheden om de voor de deelnemer zo belangrijke doelsturing aan te brengen. Er wordt gezocht naar mogelijkheden om de risicodelende werking van de buffer te vergroten. Dat vraagt wellicht het toch weer opendoen van deuren die eerder zijn dichtgedaan. Ook wordt onderzocht of goed ingericht maatwerk kan leiden tot een stabiel pensioen voor opeenvolgende generaties en, als het antwoord ‘ja’ is, hoe je dan de verplichtstelling toch kunt borgen. En er moet sowieso meer zicht komen op een realistische oplossing voor de compensatielast en op een werkbaar fiscaal kader. Er zijn er die zeggen: als je zo van collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling houdt, van de krachtige waarden van ons pensioenstelsel, blijf dan in de uitkeringsovereenkomst en schaf alleen de onhoudbare FTK-zekerheid af. En er zijn er die zeggen: als je de maatschappelijke houdbaarheidswensen inzake arbeidsmarkt, maatwerk , keuzevrijheid en vertrouwen door de transparantie van het persoonlijk inzicht zo belangrijk vindt, kies daar dan ook echt voor en accepteer dan dat die ‘nieuwe’ waarden in de plaats gaan komen van de ‘oude’ waarden en accepteer dat daarin beperkt plaats is voor risicodeling middels een collectieve buffer. Maar er zijn er ook die deze zwart-witstelling niet willen betrekken en die bereid zijn verder te zoeken naar een mooie grijstint voor een invulling van een premieovereenkomst naar Hollands model.

Drie stappen
Wat is wijsheid voor minister Koolmees? Doorzetten met het risico dat hij geen draagvlak krijgt? Of eerst een kleinere stap zetten en zichzelf en de pensioenpolder meer tijd gunnen voor de overgang naar een meer persoonlijk pensioen? De stap naar een persoonlijk pensioen met collectieve risicodeling is in feite een stap in drieën, een ‘hink-stap-sprong’; het loslaten van de zekerheid, het uitfaseren van de doorsneesystematiek en de stap naar een meer persoonlijk pensioen.
De eerste stap, de ‘hink’ is al verkend in het pensioenakkoord van 2010/11. De minister kan dat afstoffen en als nog een uitkeringsovereenkomst wettelijk faciliteren zonder FTK-zekerheid. Een uitkeringsovereenkomst met een duidelijke ambitie als doel, die aanpasbaar is voor demografische en economische ontwikkelingen. Een variabele annuïteit derhalve met duidelijke stuurregels. Zo lang mogelijk wachten met ingrijpen wordt ingeruild voor direct maar geleidelijk sturen. Dat voorkomt de situatie waarin we nu dreigen te belanden. We gaan (eindelijk) korten op een moment dat het economisch weer hosanna gaat. Dat komt dan trouwens door de MVEV (minimaal vereist eigen vermogen) regel die te elfder ure in het nieuwe FTK van 2015 is gefietst. En waarom? Een punt voor de inmiddels in gang gezette evaluatie van het FTK wat mij betreft.

Door het invaren van de bestaande opgebouwde aanspraken te faciliteren, komt ook de tweede stap, de ‘stap’, het uitfaseren van de doorsneesystematiek binnen bereik. Door het loslaten van de FTK-zekerheid op de opgebouwde aanspraken kan het daaruit ontstane indexeringsperspectief worden gebruikt voor de herverdeling en daarmee oplossing van de compensatielast.
Deze zogenoemde ‘dubbele transitie’ is echter een vooruitzicht. Potentiële toekomstige indexering wordt ingeboekt als financieringsbron. Het is niet zeker dat dit voldoende compensatie geeft en bovendien kan het erg lang, tot ver na pensioeningang, duren voordat een deelnemer kan vaststellen of hij volledig is gecompenseerd. Een belangrijk punt van onvrede bij de vakbeweging: de achterban moet maar geloven dat het ooit goed komt. Dit zou ondervangen kunnen worden door de compensatie per direct aan te wenden om er de variabele aanspraken mee te verhogen. Of door de te geven compensatie te activeren op de balans van het pensioenfonds en daaruit dan elk jaar de compensatie voor dat jaar te financieren. In beide gevallen geldt dat deze constructie moet worden toegestaan. Vanuit maatschappelijk belang zou de minister een deel van deze balanspost kunnen financieren.

Wat is wijsheid?
Het loslaten van de FTK-zekerheid lijkt – anders dan in 2010/11 – op draagvlak te kunnen rekenen. Daarmee verschaft minister Koolmees de ruimte voor een dubbele transitie. Als hij duidelijkheid kan geven over een zichtbare manier van compensatie en over een voldoende ruim fiscaal kader, kan wellicht ook voor het uitfaseren van de doorsneesystematiek en het kantelen van het fiscale kader draagvlak worden gevonden. Maar misschien moeten we vaststellen dat Nederland nog niet klaar is voor persoonlijk pensioen. Dan is het misschien wijs om niet te forceren en de ‘sprong’ nog even uit te stellen. De ‘hinkstap’ is ook al een grote stap voorwaarts. Het geeft de SER en het pensioenveld de ruimte en tijd om door te zoeken naar een mooie grijstint. Ik blijf optimistisch. Een persoonlijk pensioen, mits omgeven door een effectief werkende risicodeling, kan een passende doorontwikkeling zijn van ons pensioenstelsel.

Deze bijdrage is op persoonlijke titel.