Theo Nijman: “Discussieer over de uitkomsten, niet over de instrumenten.”

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 1 2020

INTERVIEW: ALFRED KOOL MCC, VAKREDACTEUR PBM Rubriek: Beleid
Geplaatst op 21-01-2020
Theo Nijman: “Discussieer over de uitkomsten, niet over de instrumenten.” Na vele jaren van onderhandelen werd vlak voor de zomer van 2019 overeenstemming bereikt over de contouren van een nieuw pensioenstelsel. Eindelijk was er het langverwachte pensioenakkoord. Maar na de vakantieperiode doemde een nieuwe uitdaging op. De rente bleek nog verder omlaag te kunnen en dekkingsgraden bereikten zorgelijke niveaus. Bij de toelichting op het pensioenakkoord leek het dat korten van de baan was. Afgelopen najaar werd voor veel fondsen duidelijk dat het verlagen van de pensioenen onvermijdelijk is.

De discussie over de rekenrente barstte in volle hevigheid los. Deskundigen en wetenschappers stonden daarin lijnrecht tegenover elkaar. Die polarisatie helpt niet bij het herstel van vertrouwen in de sector. Inmiddels heeft het besluit van minister Koolmees om een jaar rust in te bouwen de kou uit de lucht gehaald. Tijd voor een gesprek over verbinding en de toekomst van ons stelsel met prof. dr. Theo Nijman, wetenschappelijk directeur van Netspar.

Er wordt veel gesproken over het pensioencontract en dan met name over de onrustbarend lage dekkingsgraden. Inmiddels zijn grootscheepse verlagingen op korte termijn van de baan, maar de discussie over de rekenrente blijft.
Theo Nijman: “We staan op het punt om over te stappen naar een nieuw stelsel waarin er geen buffers meer nodig zijn. Als je op zo’n moment op basis van de herstelplanregels van het oude stelsel besluit om grootscheepse kortingen door te voeren, dan kun je je afvragen of dat wel verstandig is. Er is een enorme verschuiving van vermogen van oud naar jong geweest vanwege de dalende rente. Of dat is wat we bedoeld hadden toen we het contract in elkaar zetten, dat is natuurlijk de vraag. Maar er staan ook veel argumenten tegenover. Er is brede concensus dat onnodige kortingen niet moeten. Maar de angel zit natuurlijk in de definitie wat wel en niet nodig is. Een voor de hand liggende definitie van onnodig is: in het nieuwe contract zouden we het niet meer doen. Het is overigens nog maar de vraag of we bij de huidige dekkingsgraden in het nieuwe contract niet zouden korten.”

Het is toch zo dat in het nieuwe contract de kans op indexeren groter is, maar impliciet de kans op korten ook?
“Inderdaad, volgens de CPB-studies wordt eerder geïndexeerd maar ook drie op de tien keer gekort. Het is dus allebei waar. Het lastige in het debat is, vind ik, dat niet-korten vaak gelijk gesteld wordt met de rekenrente verhogen. Dat lijkt me echter niet het meest voor de hand liggende instrument om dat te bereiken. Gecorrigeerd voor rente-effecten en uitsmeren is indexatie gelijk aan het rendement minus de rekenrente. Dus als je de rekenrente verhoogt, gaan de pensioenen nu omhoog, maar wordt er in de komende jaren minder geïndexeerd. En dat treft jongeren die over 50 jaar nog pensioen ontvangen nu eenmaal veel meer dan hen die een resterende levensverwachting hebben van vijf of tien jaar.
Als we eenmaal de transitie gemaakt hebben naar een nieuw stelsel krijgen we ook een nieuwe discussie, namelijk wat zou de rekenrente moeten zijn in een nieuw contract. Er ontstaat dan een situatie waarbij de doorsneesystematiek wordt afgeschaft en we ook geen buffers meer hanteren. Er verandert dan veel tegelijkertijd. We moeten er wel voor waken dat de transitie voldoende generatieneutraal gaat, zoals dat heet. Eigenlijk biedt de Wet verbeterde premieregeling (WVP) nu al de nodige mogelijkheden. Bijvoorbeeld op pensioendatum meer uit je pensioenpotje halen dan door een projectierente te gebruiken die hoger ligt dan de risicovrije rekenrente.
Over die twee begrippen, projectierente en rekenrente, zijn veel misverstanden. De projectierente gaat over het uitsmeren van je uitkeringen over de tijd. Die zou best in het nieuwe contract mogen op de manier zoals de WVP dat doet. Ook over de premie is veel misverstand. Je hoort vaak dat de premie in het nieuwe stelsel veel te hoog zou worden. De hoogte van de premie wordt mede bepaald door het ambitieniveau, waarbij nu bovendien gerekend wordt met een risicovrije projectierente. Als je met ambitie bedoelt: ik garandeer niet dat we het gaan bereiken, maar we mikken er wel op, met een 50/50 kans, dan hoort daar ook een andere projectierente bij. In het nieuwe contract kan de projectierente dus best omhoog. Maar we moeten ons goed realiseren dat de kans op korten daarmee ook toeneemt. Dan komen andere vragen op tafel en dus nieuwe dilemma’s. Risicodeling tussen generaties is ook in het nieuwe contract mogelijk, maar herverdeling tussen generaties bij de transitie is een politieke keuze. Als je vasthoudt aan de risicovrije rente, ook als projectierente, en wel beleggingsrisico neemt, dan zou je het hoogste pensioen weleens kunnen ontvangen vlak voor overlijden, zelfs in termen van koopkracht. De vraag is of we dit met elkaar een aantrekkelijk scenario vinden. Er is wat mij betreft best wat voor te zeggen om een deel ervan wat naar voren te halen.”

Zou je ook het tegenovergestelde kunnen organiseren? Dus een hoger pensioen direct na pensioendatum dat vervolgens geleidelijk afneemt naarmate mensen ouder worden?
“Als je nu kijkt naar het uitgavenpatroon van de ouderen, dan neemt dat gemiddeld genomen inderdaad wel af als de cognitieve gezondheid achteruit gaat. De zorgkosten op latere leeftijd nemen toe, maar vallen gemiddeld per individu relatief gezien nog mee in vergelijking met andere landen. Maar of de huidige situatie, inclusief zorgstelsel zo blijft, is nog maar de vraag. Je moet dus oppassen met aannames voor de toekomst en het te veel naar voren halen van pensioeninkomen. Terughoudendheid is geboden bij het opnemen van pensioengeld kort na pensionering, bijvoorbeeld in de vorm van een lumpsum. Maar er zijn meer mogelijkheden, en zelfs al eerder, bijvoorbeeld de AOWcompensatie. Als je met 62 al wilt stoppen, dan zou je je tweedepijlerpot al zo’n beetje leeg kunnen eten voordat je aan je AOW toe bent. De verleiding kan groot zijn, maar de gevolgen ook. Ik denk dat we daar heel voorzichtig mee moeten zijn. Gelukkig is in het wetsvoorstel ook opgenomen dat je lumpsum niet mag combineren met andere constructies zoals hoog/laag. Geen cumulatie dus. Ik denk wel dat een lumpsum voor veel mensen kan bijdragen aan het hervinden van het goede gevoel bij het voor hen opgebouwde pensioen.”

Zou het al helpen als deelnemers zich realiseren dat die mogelijkheid bestaat? Nog los van of ze er ook daadwerkelijk gebruik van maken?
“We weten vanuit de gedragswetenschap dat mensen de neiging hebben om keuzemogelijkheden te verlangen, maar er in de praktijk weinig gebruik van te maken. En dat is misschien maar goed ook.”

Is het dan niet de morele plicht van de sector om daar rekening mee te houden?
“Daar moeten we zeker rekening mee houden. En dat valt nog niet altijd mee in een rationele sector waarin de beschikbare kennis over hoe mensen echt in elkaar zitten weleens vergeten wordt.”

Er is veel misverstand over persoonlijke potjes. Ik heb de indruk dat veel mensen daarbij denken aan een echt persoonlijk potje, met hún geld, waar niemand aan mag komen en dat na verloop van tijd leeg kan raken. Als dat zo is, hoe gaan we daar dan mee om?
“Dat misverstand hoor ik ook nog al eens. Er zijn veel zaken waar we over steggelen, maar er is één ding waar we het in Nederland over eens zijn: pensioen moet een levenslange uitkering zijn. Dat staat voorop, ook in persoonlijke potjes. Ook daar worden de langlevenrisico’s gedeeld. Een gerelateerd misverstand is dat mensen het persoonlijk vermogen zelf zouden kunnen beleggen. Dat is niet wat mij voor ogen staat.”

De samenleving is aan het veranderen. Houd ons pensioenstelsel daar voldoende rekening mee? Hoe kunnen werkgevers hun werknemers op een verantwoorde wijze langer aan het werk houden? Van carriereladder naar carrierebrug? Permanente educatie?
“Binnen Netspar heeft dit onderwerp zeker aandacht. Het is niet mijn persoonlijke expertise, maar het raakt zeker aan het onderwerp waar we nu over praten. Als mensen langer doorwerken dan bouwen ze ook weer meer pensioen op. Maar er zullen zeker ook mensen zijn die vanaf lagere leeftijd, zeg 65, parttime gaan werken. Het is belangrijk dat die op een of andere manier ook tot een acceptabel pensioen kunnen komen.”

De discussie over wel of niet korten. Burgers maken zich zorgen en zien twee groepen deskundigen over dit onderwerp lijnrecht tegenover elkaar staan. Dat helpt niet bij herstel van vertrouwen.
“Je doelt op de brief waarin de huidige rekenrente ter discussie wordt gesteld en de reactie daarop. Die reactie was vooral bedoeld ter aanvulling op de argumentatie in de eerste brief. Er ontbrak een belangrijk argument, namelijk dat verhogen van de rekenrente de kans op indexatie in latere jaren verkleint en daarom nadelig is voor jongeren. Ik zeg niet dat je dat dan maar niet moet doen, daar ga ik als wetenschapper niet over, maar je moet er wel helder over zijn. Zelf denk ik dat er betere argumenten en ook andere instrumenten zijn om niet te hoeven korten, als je dat zou willen. Bovendien heeft de minister de bevoegdheid om onder bijzondere omstandigheden korten te voorkomen. En van die bevoegdheid heeft hij inmiddels ook gebruik gemaakt, in de aanloop naar het nieuwe contract.
In de publiciteit is dit onderwerp ook wel behoorlijk op de spits gedreven. Neem bijvoorbeeld de effecten van eventueel korten. Laten we niet vergeten dat een eventuele korting betrekking heeft op aanvullende pensioenen. De mensen waar korten het meeste pijn doet zijn doorgaans diegenen die moeten rondkomen van de AOW, aangevuld met een klein aanvullend pensioentje. In hun totale inkomen zou die korting maar een beperkt effect hebben. Naarmate inkomens stijgen, neemt ook het effect van korting toe. Maar is de draagkracht juist weer groter. Dat had de pensioensector best meer kunnen benadrukken als men vertrouwen in het stelsel wil, terwijl nu alleen vanuit de aanvullende pensioenen werd gereageerd en hoge potentiële kortingspercentages werden genoemd. Maar goed, voor dit jaar is de dreiging van korten voor de meeste deelnemers van de baan.”

Wat zijn de vragen waar de discussie eigenlijk over zou moeten gaan en waar deskundigen elkaar wellicht ook weer op kunnen vinden?
“In welke jaren wil je welk pensioeninkomen en hoeveel onzekerheid mag daarin zitten? Technisch is dat een rekenrentediscussie, maar dat woord wil ik eigenlijk helemaal niet gebruiken. Het gaat mij meer over de vraag: in welke jaren zou het pensioen uitgekeerd moeten worden. Datzelfde zit ook aan de premiekant. Er wordt nu veel gesproken over de premie die veel te hoog zou worden. Dat wordt vooral ingegeven door de aanname dat de zekerheid uit het huidige FTK behouden blijft. Maar dat is helemaal niet het doel. We moeten praten over welke ambitie je nastreeft, en hoe zeker die dan moet zijn. Ik zat 10 jaar geleden in de commissie Goudswaard. Toen hadden we het al over de uitruil tussen kosten, ambitie en risico. Zo nieuw is dat dus niet. Je kunt niet alleen over kosten en ambitie praten zonder ook uitspraken te doen over de mate van onzekerheid van de uitkomsten. We discussieren heel vaak over de instrumenten, zoals de rekenrente. Terwijl je het veel meer zou moeten hebben over wat je wilt bereiken. Bijvoorbeeld, hoe onzeker mag het pensioen zijn? En in welke levensfase? Het zou best zo kunnen zijn dat voor iemand van 85 met een resterende levensverwachting van een jaar of vijf pensioenzekerheid heel belangrijk is en de bezwaren ertegen heel klein. Maar voor een jongere deelnemer is een gegarandeerd pensioen onnodig en dat zou heel veel opbouw kosten. Maar ook vragen als, wil je het meeste pensioen hebben in de eerdere of juist latere pensioenjaren? Dit zou de kern van de discussie moeten zijn. Naar mijn gevoel hebben we het te vaak over de verkeerde dingen. Het is nu een techneutendebat geworden, dat voor veel anderen niet meer te volgen is. Dat vind ik jammer.”

Tot slot?
“Ik zou zeggen, laten we de discussie verleggen naar de vraag, wat willen we nu eigenlijk. Veel mensen hechten aan zekerheid als het om pensioen gaat. Maar de vraag die we denk ik veel pregnanter op tafel moeten hebben is, welke mate van zekerheid op welke leeftijd? Er leven nogal wat misverstanden over zaken als risicodeling, collectief en individueel. Voor mij is het bijvoorbeeld evident dat collectief beleggen altijd gunstiger is dan individueel. Maar er is ook veel te zeggen voor maatwerk, b.v. naar leeftijd en naar persoonlijke omstandigheden. Dat kan prima samen gaan met collectief beleggen. Het lijkt me belangrijk dat we ons best doen om individuen te behoeden voor gevoelsmatige keuzes waar ze later heel veel spijt van gaan krijgen.