Bijna 20 jaar in pensioen, een prachtige ervaring

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 3 2021

PETER BORGDORFF
Rubriek: Communicatie
Geplaatst op 25-08-2021

Bijna 20 jaar in pensioen, een prachtige ervaring

Het was in het voorjaar van 2002 dat ik kennismaakte met de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) in een gesprek over de vacature van directeur van de vereniging. Sindsdien mocht ik werken aan de pensioenen in Nederland. Als belangenbehartiger en als directeur van het tweede pensioenfonds in ons land: Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Terugkijken op een werkzaam leven van meer dan 45 jaar, waarin een lange tijd in pensioenen. Een impressie.

2002 was voor de pensioensector een cruciaal jaar. Na het klappen van de internetbubbel stonden dekkingsgraden onder druk. De pensioenfondsen hadden veel geld verloren. De toenmalige Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) maakte zich zorgen. In september verscheen de beruchte brief van de voorzitter van de PVK, Dirk Witteveen. Er werden eisen gesteld aan de reserves van pensioenfondsen. Tegelijkertijd werd de hersteltermijn opgerekt. De pensioensector was ontzet: hoezo mocht de toezichthouder dit soort eisen stellen? Dat was aan de politiek. Aan Den Haag. De Stichting OPF en de VB stelden een werkgroep in onder leiding van Jean Frijns (ABP) met deskundige ondersteuning van Guus Boender (Ortec). Uiteindelijk is in de Stichting van de Arbeid en in overleg met het ministerie van SZW het eerste FTK tot stand gebracht in 2006. ‘Den Haag’ nam de lead en nam nimmer meer gas terug. De PVK, later gefuseerd met DNB, werd een belangrijke adviseur van het departement. Waar de sector nog vaak ‘klaagt’ over de wijze waarop DNB de dienst uitmaakt, mogen wij ons realiseren dat het toch echt ‘Den Haag’ is dat de regels vaststelt.

[kader]
Mijn ervaring lag vooral in de wereld van sociale partners: 11 jaar werkgeversorganisatie, 5 jaar vakbeweging en tussendoor 5 jaar in een paritair bestuurde organisatie. Toen VB mij benoemde was mijn vraag: ‘Waarom ik? Ik weet niet veel meer van pensioenen dan een gemiddelde vakbondsman.’ Het antwoord van de toenmalige voorzitter Gerard Beuker: ‘Jij bent vertrouwd met de belangen van werkgevers en  werknemers. Het pensioenvak leren we je wel.’
[einde kader]

Vertrouwen in pensioen kantelde
Pensioenen waren tot begin deze eeuw nogal saai voor het brede publiek. De mensen in Nederland hadden een onbewust vertrouwen in pensioenfondsen. Dat kenterde aan het begin van de 21ste eeuw. Al eerder was het vertrouwen in de instituties ter discussie gekomen, maar pensioenfondsen bleven onder de radar. Tot de internetcrisis. Ineens werden de pensioenen voorpaginanieuws. Dat is sindsdien niet veranderd, alleen maar intenser geworden. Er gaat geen dag voorbij of er wordt over pensioen geschreven. En bij het minste of geringste staan verslaggevers van radio en/of tv op de stoep. Zeker als er slecht nieuws te melden is.
De pensioensector is helaas nogal gesloten als het gaat om de media. Da’s jammer en niet nodig. Er is geen snellere en goedkopere manier om je verhaal te vertellen dan via de massamedia. Op elke verjaardagsvisite (voor corona) kon je geklaag over pensioenfondsen horen. Elk fonds kan en moet bijdragen aan een breder draagvlak en meer vertrouwen. Onze wereld is veranderd. Mensen hebben geen vertrouwen in de instituten. Zij stellen hun vertrouwen op mensen. Het gezicht van de organisaties is meer en meer belangrijk.
En juist pensioenfondsen kunnen daarvan gebruikmaken. Mensen vertrouwen hun geld voor later toe aan pensioenfondsen. Geld dat vervolgens via allerlei beleggingen weer wordt geïnvesteerd in de samenleving – ook in Nederland. Pensioenfondsen zijn – als het goed is – de vertrouwde partij voor het incasseren van de pensioenpremie, voor het (vermogens)beheer en voor de uitkeringen. Werk dat wordt gedaan door mensen voor mensen. Mensen maken het verschil. Dus als er tegenslagen zijn (tegenvallende economie, lage rente, foute beslissingen) kijken we mensen daarop aan. Die mensen moeten zich laten zien. Moeten het verhaal vertellen. In de loop der jaren heb ik ontelbaar vaak het verhaal mogen vertellen. Met bijna alle journalisten een vruchtbaar contact ontwikkeld. Dan krijg je de gelegenheid het hele verhaal te vertellen.

[kader]
Op 30 september 2002 maakte de PVK zijn beruchte brief openbaar tijdens een persconferentie in Amsterdam. Ik kreeg zes weken na mijn aantreden bij VB in mijn eerste tv-optreden de kans te vertellen dat de PVK het niet goed had begrepen. Dankzij een uitstekende voorbereiding door collegae van VB.
[einde kader]

Inkomen voor later
Pensioenen zijn door de crisis van 2008 extra onder de aandacht gekomen. De volksvertegenwoordiging reageerde zoals dat altijd gebeurt. Problemen moeten worden voorkomen met nieuwe regelgeving. Zo kregen we de eisen omtrent de governance, nadere eisen in het FTK, striktere toetsing van bestuursleden, uitdijende rapportageverplichtingen. Helaas heeft dat niet geleid tot betere pensioenen. Evenmin tot meer vertrouwen.
Tegelijkertijd begrijpen we heel goed dat er goede regels nodig zijn om aan private instituten als pensioenfondsen zulke grote belangen toe te vertrouwen. Grote belangen, veel mensen, heel veel geld. Maar waar gaat het eigenlijk om? Vaak stond ik in presentaties stil bij de cijfers van PFZW: 2,9 miljoen deelnemers, 240 miljard euro belegd vermogen. Met 2,9 miljoen mensen kan ik niet gaan koffiedrinken. Bij 240 miljard euro kan ik mij niets voorstellen. Maar het gemiddelde pensioen bij PFZW is 8.200 euro bruto per jaar. Samen met de AOW komt iemand aan zo’n 20.000 euro per jaar. Daar kunnen we ons heel veel bij voorstellen. En ik realiseerde mij dat een werknemer in de thuiszorg, in het ziekenhuis, de gehandicaptenzorg, maar ook in de cultuur of de sport erop rekent dat zij of hij straks met dat inkomen oud mag worden. En voor die persoon kwam ik graag mijn bed uit.

Het gaat om de mensen
Als in mijn werkzaam leven een rode draad is te vinden, was het dat het altijd om mensen ging. Zo moet het ook zijn in de pensioenen. Niet de grote getallen doen ertoe. Het gaat om mensen. Mensen die van hun salaris een flink stuk opzijzetten voor later en mensen die van een pensioenuitkering genieten. Dat is nimmer vrijblijvend. Integendeel. Dat vraagt kennis van de leefwereld van de deelnemers en empathie met hen als mensen. Daarom moeten bestuurders en werkers in pensioenfondsen en pensioenuitvoeringsorganisaties werkbezoeken afleggen in de bedrijven en organisaties waar ‘hun’ deelnemers werken. Daarom moeten de bestuurders hun gezicht laten zien, het gesprek aangaan, het verhaal vertellen. En vooral heel goed luisteren naar wat mensen belangrijk vinden.

In een verpleeghuis mocht ik de lunch gebruiken samen met 12 werknemers. Zij wilden niet praten over pensioen, maar over hun werk. En dat deden ze met overgave. Na een uur vroeg ik waarom ze met mij wilden praten, maar niet over pensioen: ‘U kent de mensen in Den Haag, vertel daar ons verhaal!’ Daarna mocht ik nog even met hen praten over pensioen.

Deskundigheid
Ondanks alle regelgeving en vereisten van interne en externe toezichthouders is het leiden van een pensioenfonds toch een kwestie van besturen. Het bestuur van de meeste fondsen bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Mensen die een aanvullende opleiding op het pensioenterrein hebben gedaan en soms ook een professionele achtergrond hebben op een of meer terreinen van pensioenfondsen. Maar in nagenoeg alle situaties gaat het om parttimers. Zij besteden enkele dagen per week aan het werk van het pensioenfonds. Tegelijkertijd is de verantwoordelijkheid voor veel mensen en veel geld groot. Het is dan ook niet vreemd dat er stevige eisen worden gesteld aan hun kwaliteiten en beschikbaarheid. Een bijzondere spagaat: je verantwoordelijkheid is groot, maar je inzet is relatief beperkt. Gelukkig is de betrokkenheid van bestuursleden in de loop van de jaren veel groter geworden. Zij zijn niet afhankelijk van adviseurs, actuarissen e.d., en willen dat ook niet zijn. De tijd dat de externe actuaris alle bestuursvergaderingen bijwoonde en over alle onderwerpen zijn ‘professionele mening’ gaf, ligt achter ons. En toch, kan een bestuur de 24/7 inzet van de mensen van de pensioenuitvoeringsorganisaties en van de bestuursbureaus voldoende uitdagen? En waar de bestuursleden specifieke deskundigheid hebben is het de vraag of zij wel echt willen luisteren naar de mensen die er de hele dag mee bezig zijn. De verhoudingen tussen alle spelers: bestuur, eigen bureau, externe partij en adviseurs zijn precair. En soms lijken de verhoudingen belangrijker dan de inhoud.

Tot slot
Werken in het pensioenlandschap heeft mij veel voldoening gegeven. Niet omdat alles is gelukt. ESG staat inmiddels op alle agenda’s, maar er zijn nog de nodige stappen te zetten. Helaas hebben we al jaren de pensioenen niet kunnen verhogen. Het vertrouwen in het stelsel staat onder druk. De discussies over de beste governance zijn nog gaande. De sector blijft in beweging en zo hoort het ook.
De voldoening was vanwege de vele mensen die ik mocht ontmoeten. De uitwisseling van ideeën, plannen, overwegingen. Ik mocht mens zijn tussen mensen. En gelukkig kan ik daarmee doorgaan in de rollen die ik nu op allerlei plaatsen mag vervullen.
 

Op een ochtend opende ik het FD. De kop boven een interview met mij: ‘Doorsneesystematiek moet op de helling’. Mijn reactie: dat levert gedoe op. En dat was ook zo. Het bestuur van PFZW steunde dit standpunt nog niet en riep mij ter verantwoording. Gelukkig kwam ik er af met de toezegging in mijn uitingen dichter bij de positie van PFZW te blijven.