De illusie van uitlegbaarheid en de noodzaak van betrokkenheid

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 3 2022

ADRI VAN DER WURFF, BESTUURSADVISEUR, VOORMALIG BESTUURDER EN TOEZICHTHOUDER
Rubriek: Communicatie
Geplaatst op 07-09-2022

De illusie van uitlegbaarheid en de noodzaak van betrokkenheid

Het nieuwe pensioenstelsel zou beter uitlegbaar moeten zijn dan het huidige, volgens de concept Memorie van Toelichting van de Wet toekomst pensioenen. Dat zeggen ook de makers van het pensioenakkoord. Door een betere uitlegbaarheid van het nieuwe stelsel zou ook het vertrouwen toenemen. Iedereen gaat erop vooruit, is de conclusie. Hoge verwachtingen die waarschijnlijk niet kunnen worden waargemaakt.

Neem de basisinformatie die gecommuniceerd moet worden. Het enige dat de pensioenfondsen ons straks kunnen laten zien is een bedrag dat er voor ons is opgebouwd plus een kansschatting van een pensioenuitkomst. Waarom zou dat beter uitlegbaar zijn dan de huidige opgave van de pensioenuitkomst die we (nagenoeg zeker) krijgen op onze pensioendatum? Waarom zeggen dat iedereen erop vooruitgaat als de regeling juist inhoudt dat iedereen er op enig moment op achteruit kan gaan? En waarom zou de combinatie van simplistisch en optimistisch aanprijzen het vertrouwen doen toenemen als de tegenslagen letterlijk ingebakken zitten in het stelsel?

Hoezo, betere uitleg is meer vertrouwen?
Ik denk dat als de Wet toekomst pensioenen wordt aangenomen, we dan ook een probleem hebben met de uitlegbaarheid.

Op gezette tijden wordt er geroepen om betere uitleg en meer transparantie. Maar waar gaat het dan eigenlijk om? Transparant zijn over actuariële formules en ALM-berekeningen levert alleen weerzin op. Dit is een tijdschrift voor pensioenprofessionals, maar ook hier is het niet de bedoeling dat ik met wiskundige vergelijkingen en een heel notenapparaat aan kom zetten.
Uitlegbaarheid houdt in dat er voor de specifieke doelgroep duidelijk, juist, tijdig en relevant gecommuniceerd wordt. Dat levert een enorme waslijst aan beperkingen op. De meeste deelnemersdoelgroepen hebben immers geen hoge opleiding, zijn rekenkundig en financieel niet goed onderlegd en hebben bovendien nauwelijks interesse in pensioenen. De juistheid van de boodschap is nu al vaak in het geding, zie de analyses van de AFM. Dat zal in de toekomst niet veel beter worden, want de actuele waarde van individuele pensioenpotjes berekenen en communiceren is niet iets dat pensioenfondsen nu dagelijks doen. De relevantie is, mede door de geringe belangstelling, vooral vertaald in tijdigheid. Bij samenwonen, scheiden en overlijden wordt er extra gecommuniceerd. Maar we moeten ons de vraag stellen wat we vinden van de relevantie en de tijdigheid als we miljoenen mensen tientallen jaren voor hun pensioendatum gaan vertellen wat hun huidige pensioenpotje is, inclusief kansschattingen van de mogelijke pensioenuitkomst.

De hoofdvraag is eigenlijk: hoe communiceert een pensioenfonds dat een deelnemer geen pensioentoezegging meer krijgt maar alleen een premietoezegging? Die communicatieve uitdaging staat of valt met de uitlegbaarheid en begrijpbaarheid van abstracte concepten als risicodragerschap, aansprakelijkheid en kans. Ik durf de stelling aan dat die begrippen onmogelijk zijn uit te leggen en begrijpelijk te maken voor alle deelnemers.
Hier kunnen we van de gezondheidszorg leren. Daar is veel onderzoek gedaan hoe je als dokter in een 1-op-1 gesprek een patiënt kunt informeren over het risico dat hij of zij loopt, welke behandeling het beste lijkt (gegeven de voor- en nadelen) en hoe de patiënt daar ‘informed consent’ aan kan geven. Dat onderzoek en alle praktijkervaring laten zien dat een dergelijke uitleg een enorme opgave is. In de meeste gevallen komt die ‘informed consent’ toch neer op de vraag of de patiënt vertrouwen heeft in de dokter.

Bouw aan vertrouwen
Juist die ervaringen uit andere sectoren zoals de gezondheidszorg kunnen ons helpen aanvullingen te bedenken voor uitlegbaarheid. Niet omdat we het niet moeten blijven proberen. De arts geeft de uitleg ook als hij weet dat de patiënt het consult niet kan navertellen.
Maar uitlegbaarheid en communiceerbaarheid moeten aangevuld worden met iets dat fundamenteler is, namelijk een vertrouwensbasis.
Er zijn tal van manieren om aan een vertrouwensbasis te werken, maar ik wil er in dit verband een naar voren halen die kan zorgen voor meer betrokkenheid van de deelnemers. Het gaat om het idee van het versterken van de democratie in het pensioendomein en daarmee het idee dat de deelnemers zich gehoord en vertegenwoordigd voelen. Dat kan op drie elkaar aanvullende manieren.
Ten eerste is er de democratie van het fondsbestuur zelf. Met de afspraak dat het een premieregeling wordt, hebben werkgevers daarin niets meer te zoeken. Het is ook de vraag welke rol de vakbonden zouden moeten hebben, omdat die immers met de werkgeversorganisaties al verantwoordelijk zijn voor de regeling zelf. De scheiding der machten schrijft voor dat de uitvoering door een onafhankelijke macht moet gebeuren, en dat is niet een pensioenfondsbestuur met benoemingsbevoegdheid door diezelfde sociale partners. Bovendien hebben de vakbonden allang geen representatieve achterban meer en krimpt hun ledental relatief en absoluut. De aanbeveling nog eens te kijken naar de samenstelling van de pensioenfondsbesturen staat overigens al in een advies van de Raad van State uit 2012. Een dergelijke pensioendemocratie kan vorm krijgen door kandidaten voor het bestuur rechtstreeks te laten kiezen door de deelnemers (actieven, slapers en gepensioneerden). De interne toezichthouders kunnen vooraf beoordelen of de kandidaten voldoende geschikt zijn en de externe toezichthouders (DNB en AFM) bepalen of de gekozen kandidaten inderdaad benoemd kunnen worden. Een dergelijke democratisering van het pensioenfondsbestuur sluit nauw aan bij voorstellen om het pensioenfonds als corporatie of vereniging vorm te gaan geven.
Ten tweede kan een verdere democratisering plaatsvinden door wat wel ‘deliberative democracy’ genoemd wordt. In plaats van puur stemmen om te kijken wie of wat een meerderheid heeft, is deze vorm van democratie gericht op het eerst grondig in kaart brengen van de overwegingen, belangen en opvattingen van alle belanghebbenden. Niet door een vragenlijstje rond te sturen maar door een open gesprek aan te gaan dat gericht is op wederzijds begrip en zo mogelijk consensus.
Deze aanpak sluit nauw aan op het idee in de Wet toekomst pensioenen dat bijvoorbeeld ook de slapers gehoord moeten worden. Het is van belang bij deze aanpak niet slechts (zuchtend en morrend) te kijken naar wat moet, maar naar wat kan. Zo kan er, naast het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan, ook gewerkt worden met ‘deelnemersfora’ om beleid en communicatie mee af te stemmen of zelfs voorstellen te laten doen.
Ten derde kan een verdere democratisering tot stand gebracht worden door een benadering die ‘deep democracy’ genoemd wordt. Dat is een methode om in het voortraject naar besluitvorming op zoek te gaan naar de minderheid, de bezwaren en de weerstand, en die zo veel mogelijk mee te nemen in het smeden van ‘inclusieve’ besluitvorming in plaats van de macht bij de meerderheid te leggen. Het is een aanpak die nu vooral gebruikt wordt bij bijvoorbeeld medezeggenschapstrajecten. Het sluit als idee goed aan bij het polderen en compromissen sluiten, maar het is nogal een opgave voor de mensen met macht en de meerderheid om hier ruimte voor te bieden.

In plaats van uitleggen aan dovemansoren pleit ik ervoor dat pensioenfondsbesturen hun oren en ogen gaan openen voor de deelnemers die in het nieuwe stelsel de risicodragers worden. Dat verdienen die deelnemers niet alleen, ze hebben er recht op.