OESO ziet pensioenen wereldwijd groeien

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 2 2021

JOHAN BARNARD, HEAD INTERNATIONAL PUBLIC AFFAIRS APG EN ALWIN OERLEMANS, HEAD OF PRODUCT MANAGEMENT APG ASSET MANAGEMENT
Rubriek: Internationaal
Geplaatst op 27-04-2021

OESO ziet pensioenen wereldwijd groeien
OESO ziet pensioenen wereldwijd groeien

De ongekende impact van COVID-19 op economie en samenleving stelt mensen wereldwijd voor enorme uitdagingen. De OESO geeft in zijn recente Pensions Outlook 2020 (1) en Pension Markets in Focus (2) inzicht hoe de pensioensector er wereldwijd voor staat.

De OESO constateert dat wereldwijd het pensioenvermogen groeit tot meer dan $ 50.000 miljard eind 2019. Deze groei komt zowel door het aantal aangesloten werknemers als door rendementen. In de meeste landen zijn de pensioenen voldoende gedekt, zij het dat rekenregels verschillen. De verschillen tussen landen blijven groot: 7 van de 37 OESO-landen zijn goed voor 90% van het kapitaalgedekte pensioen: dit zijn de VS, VK, Canada, Australië, Nederland, Japan en Zwitserland. In bijna alle OESO-landen stijgt het pensioenkapitaal over het afgelopen decennium, met uitzondering van Hongarije en Polen, waar kapitaalgedekte pensioenen zijn omgezet naar pensioen via sociale zekerheid.

In 17 OESO-landen heeft 70% van de werkenden een verplichtgesteld pensioen. Steeds meer landen nemen dit model over zoals Israël, Roemenië, Bulgarije en Armenië. Ook steeds meer landen hanteren een systeem met autoenrolment via de werkgever. In deze systemen hebben werknemers een opt-out mogelijkheid. Voorbeelden hiervan zijn Italië, Litouwen, Nieuw-Zeeland, Turkije en het VK. In 2022 volgt Ierland. Een succesvol voorbeeld is het KiwiSaver plan in Nieuw-Zeeland, met een deelnamestijging van 42% in 2010 naar 79% in 2019. In OESO-landen met vrijwillige keuze voor pensioen (hetzij individueel of via de werkgever) is de deelname lager. Internationaal blijft de pensioenvoorziening voor zelfstandigen achter. Wel zijn er landen met nieuwe plannen voor zelfstandigen, zoals Zuid-Korea, Kenia en Nigeria (micropensioen).

Het OESO Pensions Markets in Focus rapport laat uitgebreid de verschillen tussen systemen zien. Dat geldt voor de hoogte van de pensioenpremie en wie deze betaalt (werknemer of werkgever). In landen met auto-enrolment zoals Nieuw- Zeeland en VK zijn geleidelijk de minimale pensioenpremies verhoogd. IJsland is koploper pensioenpremies met ruim 10% van het BBP. In de meeste landen blijven de pensioenpremies echter onder de 10% van het salaris. De uitkering van pensioenen in termen van BBP is het hoogst in volwassen pensioenlanden zoals de VS, Zwitserland, Australië, Denemarken, IJsland en Nederland, waar de uitkeringen 4-8% van het BBP bedragen. In dit rijtje is Nederland achterblijver qua toepassing van een lumpsum, welke per 1 januari 2023 mogelijk wordt.
In de OESO-vergelijking van beleggingen en reële beleggingsrendementen springen Ierland en Nederland er positief uit in 2019 met respectievelijk 18,5% en 13,7% reëel rendement (gemiddeld 8,0%). Kijkend naar 10- en 15-jaars gemiddelde reële rendementen staat Nederland hoog in de lijst. Qua beleggingsallocatie over aandelen, obligaties en andere beleggingen zit Nederland in de middenmoot. Pensioenfondsen in veel landen beleggen overwegend in obligaties, terwijl een kleinere groep grotere allocaties heeft naar aandelen en andere beleggingen. Een kleine verschuiving richting aandelen is zichtbaar in 2019. Over de periode 2009-2019 is een verschuiving zichtbaar naar aandelen van 20% naar 27%, vooral ten koste van obligaties.

Van de grotere OESO-landen beleggen Nederlandse pensioenfondsen het meest in het buitenland (of in buitenlandse valuta). Trendmatig worden steeds meer pensioenactiva in het buitenland aangehouden, in het bijzonder vanuit kleinere eurozone-landen. De Europese Commissie heeft dit ook opgemerkt en hoopt dit verder te kunnen bevorderen omdat dit de Europese kapitaalmarktunie kan versterken. Bovendien vergroot dit langs private weg de fiscale stabiliteit en de weerstand tegen asymmetrische schokken in de eurozone.
Hiernaast leiden meer kapitaalgedekte aanvullende pensioenen tot betere toereikendheid van pensioenen. Daarom heeft de Europese Commissie dit opgenomen in haar nieuwe Actionplan on Capital Market Union van 24 september jl. Eén van die acties betreft een studie naar maatregelen om deelname in aanvullende pensioenen te vergroten, waaronder auto-enrolment.

Kosten onder de loep
De OESO geeft veel aandacht aan de beleggingskosten. In de huidige ‘low yield’ omgeving worden kosten steeds belangrijker. De kosten worden op verschillende manieren berekend, maar in de meeste gevallen als percentage van de pensioenpremie, belegd vermogen, rendementen of een combinatie hiervan. In de meeste landen (3/4) zijn er kostenplafonds, in het bijzonder op de kosten als percentage van belegd vermogen. Deze plafonds lopen echter ver uiteen van 0,3% (in Kroatië) tot 3% (in Australië)! De vergelijkbaarheid van de daadwerkelijk in rekening gebrachte kosten, vindt de OESO nog te gering om daar veel uitspraken over te kunnen doen.
De Brusselse ngo Better Finance (www.betterfinance.eu) gaat daar verder op in in het jaarlijkse rapport Pension Savings – The Real Return. Bij Better Finance gaat het ook om het reële beleggingsresultaat voor de deelnemer van pensioenfondsen en pensioenverzekeringen, dat ze definieert als brutobeleggingsresultaat minus alle kosten minus inflatie. Zij vraagt meer aandacht voor derdepijlerproducten. Better Finance laat zien dat Nederlandse pensioenfondsen het met een ‘real return’ na kosten en inflatie van 2,73% per jaar over een termijn van 2000-2019 het beter hebben gedaan dan Nederlandse levensverzekeringen die uitkomen op 0,04% voor dezelfde periode. Aandacht voor kosten blijkt ook uit Verordening (EU) 2019/1238 waarmee een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (=PEPP) wordt ingevoerd. Deze verordening bevat voor de ‘basis-PEPP’, die als een default aangeboden moet worden, een 1% limiet van het opgebouwd kapitaal per jaar voor kosten en vergoedingen (art. 45 lid 2 + RTS3). Bij andere PEPP-aanbiedingen kunnen de kosten dan wel hoger zijn.

COVID-19
In Pension Markets in Focus gaat de OESO kort in op de effecten van de COVID-19-crisis, met name voor de waarde van de activa. De voorspelling dat deze weer zou aantrekken, is inmiddels juist gebleken. Het herstel van financiële markten leidt tot een verdere groei van het wereldwijde pensioenvermogen. Dekkingsgraden van defined benefit pensioenfondsen zijn mede hierdoor hersteld. COVID-19 leidde ook tot reactie in beleid. De Britse toezichthouder (The Pensions Regulator) kondigde aan geen actie tegen werkgevers te nemen die bijstortingen voortvloeiend uit herstelplannen uitstellen. Procyclisch beleid zou moeten worden voorkomen. In dit kader wordt ook de 90% dekkingsgraadgrens in Nederland benoemd. Andere maatregelen betroffen het toestaan van vervroegde uitkeringen uit het pensioenfonds of premiepauzes.

In de Pensions Outlook 2020 staat een uitgebreid hoofdstuk over COVID-19 en kapitaalgedekt pensioen. Daarin wordt vooral aandacht besteed aan dreigingen. Allereerst gaat het dan om het effect van een economische crisis voor de activa en de gevolgen van nog langer erg lage rentes. Maar de OESO spreekt ook over operationele risico’s van thuiswerken door medewerkers van pensioenorganisaties, waaronder cyberrisico’s. Positief is de OESO over de ‘job-retention schemes’ die in veel landen zijn ingezet. Dit betekent meestal ook dat pensioenopbouw doorgaat. In sommige landen (o.a. Spanje en België) hebben werkgevers en/of werknemers echter vormen van premiepauzes gekregen of mogen deelnemers een deel van hun pensioenvermogen opnemen. De OESO waarschuwt dat dergelijke maatregelen wel op de korte termijn verlichting bieden, maar op de lange termijn tot problemen kunnen leiden voor pensioentoereikendheid. Positief zijn maatregelen die pensioenbeleggers meer tijd voor herstel geven of die hen ruimte bieden om te blijven beleggen in bijvoorbeeld aandelen. Een uitgebreide passage is gewijd aan de risico’s die gepaard gaan met het vragen van pensioenbeleggers om te beleggen in sectoren die nu steun nodig hebben. Op zich kan dit helpen, maar dan moet wel geborgd zijn dat dit soort investeringen op verantwoorde afwegingen over risico en rendement gebaseerd zijn. De OESO wijst hierbij op betere vormgeving van beleggingsmogelijkheden voor pensioenbeleggers. Twee voorbeelden zijn securitisaties van MKB-leningen, een onderwerp dat ook is opgenomen in het Actionplan on CMU, en COVID-19-bonds. Wat dat laatste betreft zijn bijvoorbeeld de SURE-bonds van de Europese Commissie een goed voorbeeld. Deze zijn uitgegeven als ‘social bonds’ die lidstaten die dat nodig hebben, helpen om ‘job retention schemes’ en gezondheidsmaatregelen te financieren. APG en PGGM belegden in de eerste tranche daarvan al € 382 miljoen ten behoeve van hun fondsen.

Na COVID-19
Wat ons betreft is een door de OESO niet beantwoorde belangrijke vraag, of lessen die nu in de COVID-19 crisis geleerd worden, niet juist een kans bieden om al lopende hervormingen te versnellen. In veel OESO-landen, en zeker in de EU, zowel op niveau van de EU als die van individuele lidstaten, is de beleidsreactie eigenlijk heel snel en zijn vooralsnog grote ongelukken uitgebleven. Zoals de OESO in de besproken rapporten laat zien, zet na de grote financiële crisis van 2008-2011 de COVID-19-crisis de schijnwerper op de balans die gevonden moet worden tussen kortetermijnmaatregelen en langetermijndoelen van pensioenvoorzieningen. Hopelijk blijkt dit komende jaren ruimte te bieden om nog betere pensioenvoorzieningen voor nog meer mensen bereikbaar te maken.

1 OECD (2020), OECD Pensions Outlook 2020, OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/ 67ede41b-en
2 OECD (2020), Pension Markets in Focus 2020, www.oecd.org/fi nance/pensionmarketsinfocus.htm
3 https://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/3/2020/ EN/C-2020-9073-F1-EN-MAIN-PART-1.PDF