Rare jongens (en meisjes) die Aussies

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 1 2020

ALWIN OERLEMANS, APG ASSET MANAGEMENT, BENNE VAN POPTA, WERKGEVERSVOORZITTER PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK EN ANDRÉ SNELLEN, WERKGEVERSVOORZITTER PENSIOENFONDS DETAILHANDEL Rubriek: Internationaal
Geplaatst op 14-01-2020
Rare jongens (en meisjes) die Aussies Gepensioneerden die in het systeem verdwalen als ze met pensioen gaan, maar daar wel in alle vrijheid zelf voor mogen kiezen. Mensen die aan het einde van hun leven nog 25% van hun kapitaal in hun pensioenpot hebben zitten. Zelfs bij een DB-regeling staat op pagina 1 van een ‘UPO’ de omvang van je pot, om ergens op pagina 8 een eerste indicatie te geven van je inkomen. In een land dat 3e staat in de Melbourne Mercer Global Pension Index … welkom in Australië.

bvp

as

De fondsen, Superannuation genaamd, beconcurreren elkaar en richten zich daarbij vooral op de 40-jarigen. Grote reclamecampagnes – bijvoorbeeld in de rust van grote sportevenementen – zijn daarbij de regel. Ook al zijn de fondsen vaak ‘not for profit’ of ‘profit for member’ zoals ze het graag noemen. Gelijktijdig wordt een gepensioneerde gezien als een klant die de winkel verlaat. Netjes naar buiten begeleiden en ter afscheid nog een prettige dag wensen.

Het in Toronto gevestigde ICPM (International Center for Pension Management) streek voor de jaarlijkse internationale conferentie neer in Sydney. Zoals eerder in Chili en Nederland is er een internationale werkgroep samengesteld om de oudedagsvoorziening in het gastland, Australië, te bestuderen. De historie, demografie, actuele onderwerpen, politieke constellatie en huidige situatie en opzet van het systeem conconform het multipijler-model van de Wereldbank staan daarbij centraal. Aansluitend werden ter plaatse stakeholders geïnterviewd, waaronder politici, academici, toezichthouders, consultants en belangenorganisaties. Deze werkgroep, bestaande uit pensioenexperts uit Canada, de Verenigde Staten, Engeland, Chili, Nederland en Zuid-Afrika, deelde aansluitend de observaties op de conferentie zelf. De werkgroep stelt een rapport op met deze observaties en suggesties voor het gastland. Australië bleek daarbij een dankbaar onderwerp. Een jong maar omvangrijk, uniek en in veel opzichten uiterst succesvol systeem met veel keuzemogelijkheden voor deelnemers en werkgevers. Ook een systeem met een stevige ‘home bias’ in investeringsbeleid waarbij weldra vrijwel alles in Australië door Superannuation-fondsen gekocht zal zijn. Gelijktijdig onderhevig aan politieke controverse en uitdagingen waarvan ze er een groot aantal zien maar ook met belangrijke blinde vlekken.

k1
Kader 1

Huidig pensioensysteem
Australië kent een eerstepijlerpensioen op omslagbasis, betaald uit de rijksbegroting. De volledig uitkering bedraagt voor partners samen, omgerekend € 22.800 en voor een alleenstaande € 15.130. Het eerstepijlerpensioen kent een inkomens- en vermogenstoets (zogenaamd ‘means-tested’). Tot aan een drempel inkomen/ vermogen wordt een volledige uitkering ontvangen, boven een maximum inkomen/vermogen wordt geen overheidspensioen meer ontvangen. Daartussenin is de uitkering naar rato. Uiteraard is er veel discussie over deze grenzen, over het tempo waarin het publieke pensioen afneemt als er extra inkomen/extra vermogen aanwezig is. Plus natuurlijk de behandeling van het eigen huis (groot of klein, duur of goedkoop). Voor partners is het drempelvermogen zo’n € 245.000 (met eigen huis) of € 375.000 (zonder eigen huis) en het maximumvermogen € 540.000 (met) respectievelijk € 670.000 (zonder eigen huis). Het belangrijkste bestanddeel van het vermogen is de Superannuation-pensioenpot. Daarmee is er een uitruil tussen het eerste- en tweedepijlerpensioen. Eigen bijdragen aan gezondheidszorg en ouderenvoorzieningen maken de situatie nog complexer.
De tweede pijler Superannuation is een voorziening op kapitaalbasis. De werkgever is verplicht voor werknemers die meer dan AUD 450 (€ 280) per maand verdienen, 9,5% premie (over het salaris) te betalen aan een Superannuationfonds naar keuze van de werknemer. Het default fonds wordt bepaald door de werkgever (of in de cao). De tweede pijler is daarmee een DC-systeem, gericht op de accumulatie van kapitaal. Over een periode van ruim 25 jaren is er een enorm vermogen opgebouwd. Tot nu ruim 135% van het BBP. De tweede pijler is daarmee een sterke ‘savings machine’. In aanvulling hierop kunnen deelnemers vrijwillig bijdragen aan hun Superannuation-fonds. Daarnaast heeft 2/3 van de Australiërs een eigen huis, ook al rust hier vaak een flinke hypotheek op. Voor jongeren is een eigen huis steeds moeilijker bereikbaar.

De last van het begin
Het pensioensysteem heeft een lange aanloop gekend. In de jaren ’90 kwam het tot een akkoord tussen de Labor-regering en de vakbeweging. Er zou een verplicht pensioenstelsel komen voor werknemers. De premies werden betaald door werkgevers en werknemers. Achtergrond was het doorbreken van een loon-prijsspiraal. Wel een kostenstijging, maar geen koopkrachtstijging, doordat men meer ging sparen. In 1992, tijdens de Keating Labor-regering werd een en ander geïmplementeerd. Werkgevers gingen verplicht 3% pensioenpremie betalen voor werknemers. De werknemerspremie is nooit geëffectueerd. En de eerste pijler werd ‘means-tested’. Met dit pensioensysteem wilde men inspelen op de demografische trends door meer te sparen en daarmee de toekomstige lasten voor de rijksbegroting te beperken. De Liberals waren en zijn tegen een verplicht pensioen. Zij stellen keuzevrijheid voorop. En het MKB is bang voor te hoge pensioenlasten. Labor was aan het bewind en dus startte het pensioensysteem. En de Liberals, eenmaal weer aan de macht, konden/durfden het niet meer terug te draaien.
Deze politieke tweedeling speelt het pensioensysteem nog steeds parten. De beoogde stijging van de pensioenpremie tot 12% is nog niet gerealiseerd. Omdat het Superannuation-systeem geen heldere pensioendoelstelling heeft kan deze stijging niet goed worden onderbouwd. Het doorbreken van de loon-prijsspiraal en het ‘sparen voor later’ stonden bij de start van het stelsel voorop. Het vervolmaken van het pensioensysteem door een adequate decumulatiefase in te richten, kan op onvoldoende steun rekenen. Terwijl de Cooper Commission dit reeds in 2009 op de agenda had gezet (zie kader 2). De langdurige sterke politieke polarisatie en controverse rond pensioenen is opvallend.

k2
Kader 2

Groei naar volwassenheid
Na de start in 1992, met een verplichte werkgeverspensioenpremie van 3%, liep deze langzaamaan op tot 9% in 2002. En tot 9,5% in 2014. Er is een stijging tot 12% voorzien, maar deze stijging is uitgesteld. Het streven is 12% premie in 2025, maar het moet nog blijken of dat zal worden gerealiseerd. Ondertussen lopen de besparingen sterk verder op. Ondertussen bereiken steeds meer mensen de pensioengerechtigde leeftijd. De uitkeringsfase wordt dus steeds belangrijker. Meer mensen en grotere bedragen. Nu blijkt dat de uitkeringsfase onvoldoende is georganiseerd. De keuze is: of een bedrag ineens of een onttrekkingspercentage van minimaal 5%. Waarmee het langlevenrisico volledig bij het individu ligt en vrouwen – naast minder opbouw door de deelnamedrempel van AUD 450 en parttimewerk – opnieuw nadeel ervaren. Voorts blijkt dat de relatie tussen de eerste en tweede pijler, vanwege de inkomens- en vermogenstoets, uiterst gecompliceerd is en voortdurend wordt aangepast. Die complicatie neemt voor gepensioneerden vrijwel onmogelijke vormen aan als je daar de, ook voortdurend veranderende, eigen bijdragen in de gezondheidszorg en ouderenvoorzieningen bijneemt. Zelfs hoogopgeleiden durven geen keuze te maken zonder het raadplegen van een adviseur. Waarbij belastingregels nog meer complexiteit toevoegen. En die regels kunnen makkelijk wijzigen. Per saldo betalen gepensioneerden weinig belastingen, maar blijft het onbelast zijn van pensioenen wel voortbestaan?

In dit politiek verdeelde landschap is er wel aandacht voor het design en het goed functioneren van het stelsel. Daartoe worden commissies ingesteld die aanbevelingen doen (zie kader 2). Belangrijke verbetering was het creëren van goede defaults zoals MySuper. Deelnemers die niet zelf keuzes maken, komen sindsdien via MySuper in een passend fonds terecht. Andere commissies focussen op de kosten van het systeem, de slechte kwaliteit van financieel advies, onvoldoende deelnemersfocus en agencyproblemen bij aanbieders en met name (‘profit for shareholder’) retailfondsen.

To choose or not to choose

Vrije fondskeuze en keuzearchitectuur zijn de kroonjuwelen van het systeem. MySuper zorgt ervoor dat deelnemers bij een default fonds terecht komen. Veel deelnemers willen of kunnen echter niet kiezen en als eenmaal een keuze is gemaakt dan blijft het zo. Dit leidt ertoe dat veel mensen ongewild en onnodig meerdere Superannuation-rekeningen hebben of blijven hangen in te dure fondsen. Via de belastingdienst kunnen deze zeer eenvoudig samengevoegd worden maar dat wordt vaak vergeten. De keuzes brengen wel met zich mee dat fondsen zich actief marketen en productvergelijkingen zijn breed beschikbaar. Desalniettemin zijn de kosten relatief hoog voor individuele rekeningen, wat samenhangt met de administratieve kosten. Klanttevredenheid wordt uitgebreid gemeten en is hoog. “Er wordt niets beloofd en dus ook geen belofte gebroken” wordt vaak genoemd als reden voor tevredenheid. Toezichthouders richten zich op bescherming van de consument. Net als in Nederland kent Australië een twin peaks toezichtsregime, met APRA en ASIC als prudentiële en gedragstoezichthouder. Vanuit het toezicht wil men actiever data gaan publiceren waarbij de beste fondsen worden benoemd. Dit is weer een extra impuls voor de consolidatie in de markt van Superannuation-fondsen. Sommigen verwachten een consolidatie van 200 fondsen nu naar circa 30 grotere fondsen in de nabije toekomst.

Naar een nog beter stelsel
Het pensioenstelsel meer richten op een inkomen voor later, daar ligt de uitdaging voor het stelsel. Een routekaart in plaats van een doolhof voor gepensioneerden. Alle bouwstenen voor zo’n routekaart zijn er. Nu alleen de politieke wil nog om ervoor te gaan. En zo lijken Australië en andere landen weer heel erg op elkaar.