Moeilijke weg naar een ander pensioenstelsel

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 4 2021

GERARD RIEMEN, PARTNER BIJ SPRENKELS EN VERSCHUREN
Rubriek: NPC (nieuw pensioencontract)
Geplaatst op 27-09-2021

Moeilijke weg naar een ander pensioenstelsel

Het heeft even geduurd. Nederland staat aan de vooravond van de grootste pensioenhervorming sinds de introductie van de AOW. Les 1 uit het onlangs verschenen rapport van Van Popta en Steenbeek “Transition to a new pension contract in the Netherlands: Lessons from abroad” is dat het hervormingsproces geen rechte weg van A naar Beter is. Deze Nederlandse pensioenweg is nog niet geasfalteerd en gaat steil omhoog.

Ergens halverwege splitst de pensioenweg zich. Rechtsaf naar het flexibele pensioencontract en linksaf naar het solidaire pensioencontract. Niet alleen ons pensioenstelsel is uniek, maar ook de wijze waarop de transitie moet plaatsvinden. Er is geen enkel ander land dat bij een pensioenhervorming de al opgebouwde aanspraken, ja zelfs de lopende uitkeringen, meeneemt in de omzetting naar het andere stelsel (zie ook het rapport van Van Popta en Steenbeek). Dat invaren is complex, wordt betwist en het is de vraag of deelnemers en gepensioneerden zullen waarderen hoe er met hun aanspraken en uitkeringen wordt omgegaan. Pensioenfondsbestuurders staan voor de opgave om de aanspraken en pensioenen van hun deelnemers en gepensioneerden op een zorgvuldige manier onder te brengen in het nieuwe stelsel. In dit artikel benoem ik slechts vier van de vele vraagstukken waarmee pensioenfondsbestuurders zullen worden geconfronteerd.

Governance
In het consultatiedocument gaat de wetgever ervan uit dat sociale partners en pensioenfondsbesturen in goede harmonie de pensioenhervorming zullen doorvoeren. De praktijk is soms weerbarstiger. Het pensioenfondsbestuur staat machteloos aan de kant als sociale partners geen (of niet tijdig) een besluit nemen over een ander pensioencontract. De wetgever heeft in het consultatiedocument in een kader zes onheilspellende gevolgen opgenomen bij het niet hebben van een andere pensioenregeling op 1-1-2027. Echter, de wetgever verzuimt om aan te geven hoe pensioenfondsbesturen dat onheil kunnen voorkomen indien sociale partners niet leveren.
De sociale partners doen een verzoek aan het pensioenfonds voor het invaren van opgebouwde aanspraken en de pensioenen. Wordt er geen verzoek gedaan, dan heeft het bestuur van het pensioenfonds niet de mogelijkheid dit zelfstandig te besluiten. Het bestuur kan daarentegen wel, maar dan stevig gemotiveerd, besluiten het verzoek tot invaren niet in te willigen. De financiering van de compensatie is eveneens een onderdeel dat sociale partners in het door hen op te stellen transitieplan moeten opnemen. Dit terwijl aangenomen mag worden dat een belangrijk deel van de compensatie zal worden gefinancierd uit het bij het fonds aanwezige vermogen.
De sociale partners stellen de premie voor de nieuwe pensioenregeling vast en formuleren daarbij ook de ambitie die met de beschikbaar gestelde premie wordt nagestreefd. Het spanningsveld tussen premie en ambitie kan worden weggemasseerd door aan de risico/rendementsknop te draaien. Het is maar de vraag of sociale partners te allen tijde de verleiding kunnen weerstaan om via die risico/rendementsknop er samen uit te komen. De wetgever is helder; het pensioenfondsbestuur bepaalt de risicohouding en betrekt in die afweging de risicopreferenties van de deelnemers. Dat neemt niet weg dat er een lastige situatie ontstaat als het bestuur van het pensioenfonds het ‘feestje’ van de sociale partners frustreert.
In het consultatiedocument zijn verantwoordelijkheden en beslismacht niet op alle punten consistent geregeld. Ik verwacht, en zie dat ook in de praktijk, dat in het overgrote deel van de gevallen pensioenfondsbesturen en sociale partners in goede harmonie tot besluiten komen. Maar er kan spanning ontstaan over de rol en bevoegdheden. In dat geval doen pensioenfondsbesturen er verstandig aan om stevig vast te houden aan het uitgangspunt dat zij verantwoordelijk zijn voor het aanwezige vermogen en de nakoming van de opgebouwde aanspraken. Dat heeft mijns inziens tot gevolg dat het pensioenfondsbestuur uiteindelijk beslist over wel of niet invaren en de wijze waarop het vermogen wordt aangewend voor de compensatie.

Invaren
Het invaren is dé hobbel die in het transitieproces moet worden genomen. Tegelijkertijd is het naar mijn mening onontkoombaar dat er ingevaren wordt. De kernvraag bij de transitie is hoe het aanwezige vermogen wordt verdeeld over de mensen die een aanspraak hebben en de pensioengerechtigden. Daarbij is niet alleen het heden, maar zijn ook de gerechtvaardigde verwachtingen die de mensen hebben voor de toekomst relevant. Overigens zijn er ook partijen die ervoor pleiten om het verleden in de afwegingen over de verdeling van het vermogen mee te nemen. Mij lijkt dat een heilloze weg. Het maakt het proces extra complex en je start een discussie die nimmer bevredigend kan worden beëindigd.
De toetssteen bij het invaren is een evenwichtige afweging van belangen. Het is een uiterst zacht criterium waaraan iedereen zijn eigen invulling kan geven. Zijn straks alle belangen evenwichtig afgewogen als je aan de hand van een van de twee voorgeschreven rekenmethodes kan laten zien dat er op basis van de modellen voor niemand wat verandert? Waarom dan de hele pensioenhervorming? Hoe rechtvaardig je als bestuur de keuze voor de standaardmethode of de VBA-methode? Wie besluit uiteindelijk of de transitie evenwichtig is of niet? Het bestuur, DNB of de rechter? De antwoorden op deze vragen kunnen eenvoudigweg niet door de wetgever worden gegeven. We doen er verstandig aan te erkennen en te communiceren dat het uiteindelijk een subjectieve afweging is die het bestuur van het pensioenfonds moet maken. Zorgvuldigheid en breed draagvlak voor het genomen besluit zijn daarbij belangrijke criteria. De keerzijde is dat het bestuur zich niet kan verschuilen. Er is geen afvinklijstje aan de hand waarvan het kan stellen dat het juiste besluit is genomen. Er wordt een groot beroep gedaan op het vermogen van het pensioenfondsbestuur om het besluit te onderbouwen, draagvlak te creëren en transparant te zijn over de dilemma's die op tafel lagen. Het is de kunst om zich niet te laten afl eiden door degene die het hardste schreeuwt. De rechtszaken zullen er onvermijdelijk komen en dan is het zaak dat het bestuur ook ten overstaan van de rechter de besluitvorming durft en kan verdedigen.

Communicatie
Communicatie is cruciaal, zowel tijdens de transitie als in het nieuwe stelsel. Hoe zorgen we ervoor dat in het nieuwe stelsel iedereen begrijpt dat niet het persoonlijk pensioenvermogen maar de inkomensstroom na pensionering relevant is? De transitie zal alleen slagen als er draagvlak voor is. Het heeft mijns inziens weinig zin om de techniek achter de transitie proberen uit te leggen.
Natuurlijk moeten vragen over de techniek worden beantwoord, maar dat is niet waar de deelnemers nieuwsgierig naar zijn. De boodschap moet zich richten op wat deelnemers en gepensioneerden aan nieuw perspectief hebben bij de overstap naar het andere contract. Stoere beloftes die niet waargemaakt kunnen worden, tasten het vertrouwen alleen maar aan. Wat dat betreft kunnen de fondsen lessen trekken uit de communicatie van de overheid tijdens de coronacrisis.
Pensioenfondsbesturen moeten aan de slag om het vertrouwen van de deelnemers te winnen. Dat betekent dat ze zichtbaar moeten zijn en een stevig verhaal en overtuigingskracht moeten hebben.

Consolidatie
De pensioenhervorming nodigt uit tot bezinning op de rol en het bestaansrecht van een pensioenfonds. Bij een aantal fondsen zal onvermijdelijk de conclusie zijn dat deelnemers en gepensioneerden beter af zijn indien hun pensioenen en aanspraken elders worden ondergebracht. Zet je die stap vóór of ná de transitie? Het is straks mogelijk om de slag in één keer te maken. Invaren in een nieuw stelsel bij een nieuwe pensioenuitvoerder. De vraag is welke pensioenfondsbestuurder op deze extra complicatie zit te wachten. Voor deelnemers en gepensioneerden daarentegen is het winst als hun rechten in één keer een goed onderkomen vinden.

Tot slot
Pensioenfondsen hebben bij de pensioenhervorming een niet te benijden positie. De sociale partners nemen besluiten terwijl in de praktijk pensioenfondsen deze besluiten mogen ‘verkopen’. Het komende decennium vraagt daarom om dappere pensioenfondsbestuurders die opkomen voor de belangen van hun deelnemers en gepensioneerden.
Of zoals Jan Tamerus bij zijn afscheid zei: “ballen hebben”.