Invaren naar het nieuwe pensioenstelsel

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 2 2021

DRS. MARCEL DE WIT AAG, DIRECTEUR/EIGENAAR i4PENSIONS PENSIOENBESTUUR, MANAGEMENT & CONSULTANCY
Rubriek: NPC (nieuw pensioencontract)
Geplaatst op 04-05-2021

Invaren naar het nieuwe pensioenstelsel

Een groot winstpunt van het nieuwe pensioenstelsel is dat discussies over de verdeling van het collectieve vermogen tussen generaties eens en voor altijd verleden tijd zijn. Dus geen discussies meer over rekenrente, (premie)dekkingsgraden, uitstel en/of uitsmeren van kortingen etc. Dit zal het draagvlak en vertrouwen in het Nederlandse pensioensysteem goed doen. Maar dan moeten we wel daadwerkelijk de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel gaan maken.

Bij die overgang zelf ontkomen we er helaas niet aan om nog één keer de verdelingsdiscussie met elkaar te voeren. En in het bijzonder waar het gaat om het omzetten van de bestaande pensioenaanspraken en -rechten naar het nieuwe pensioenstelsel (ook wel aangeduid met ‘invaren’). In het pensioenakkoord dat kabinet en sociale partners in juni 2019 hebben gesloten, is een aantal randvoorwaarden aan het nieuwe pensioenstelsel gesteld. Zo dient de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel voor alle belanghebbenden en generaties evenwichtig uit te pakken. In dit artikel richt ik mij specifiek op het invaarvraagstuk en hoe hier evenwichtige belangenafweging bij te betrachten.

Standaardmethode voor invaren
Het kabinet schrijft de manier voor waarop bestaande pensioenaanspraken en -rechten moeten worden omgerekend naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit om duidelijkheid aan de pensioensector te bieden én om te voorkomen dat individuele keuzes bij het invaren tot grote verschillen tussen pensioenfondsen leiden. In de hoofdlijnennotitie van juni 2020 en de internetconsultatie van december 2020 heeft het kabinet een tweetal rekenmethoden uitgewerkt: de ‘standaardmethode’ en de zogenoemde ‘value based ALM-methode’ (vba-methode). Bij de standaardmethode wordt een, binnen het huidig FTK, aanwezig overschot (of tekort) verdeeld over de deelnemers door een opslag (of korting) vast te stellen. Deze opslag (of korting) wordt dan in 10 jaar ingerekend. Bij de vba-methode wordt op basis van ALM-analyses het aanwezige vermogen over de deelnemers verdeeld. De vba-methode sluit preciezer aan bij het huidige FTK. Door de vele vrijheidsgraden en te hanteren veronderstellingen wordt de vba-methode echter al snel subjectief. Dit alles maakt de vba-methode naar mijn mening erg complex. Uit oogpunt van objectiviteit, eenvoud en uitlegbaarheid pleit ik dan ook voor toepassing van de standaardmethode.

Hoe evenwichtig invaren
Hoe pakt de standaardmethode nu concreet uit bij het invaren. We kijken daarbij in het bijzonder naar evenwichtigheid tussen de verschillende generaties. Uit een onderzoek van Netspar uit september 20191, zie figuur, blijkt dat bij een dekkingsgraad boven 100% er bij het invaren relatief meer vermogen naar de jongeren dan naar de ouderen gaat.


Martkwaarde t.o.v. boekwaarde voor verschillende leeftijden en dekkingsgraden van het fonds.

Bij een dekkingsgraad onder 100% volgt juist het omgekeerde. Dus relatief meer vermogen naar de ouderen dan naar de jongeren. Laten we er, positief, van uitgaan dat op het moment van invaren de dekkingsgraad inderdaad boven 100% ligt. De ouderen onder ons zouden nu kunnen gaan roepen dat dit onevenwichtig is, met als argument dat gepensioneerden al lange tijd geen indexatie meer hebben gehad en dat, in sommige gevallen, hun pensioenen ook nog eens zijn gekort. Dus dan maar meer van het collectieve vermogen naar de ouderen, ten koste van de jongeren? Is dat dan wel evenwichtig? Hier wreekt zich wat evenwichtigheid nu eigenlijk is. En dat is volgens mij vooral een kwestie van hoe je ernaar kijkt of eigenlijk beter, wilt kijken.

Het is zondermeer zuur dat veel pensioenfondsen de pensioenen van de huidig gepensioneerden al heel wat jaren niet of nauwelijks hebben kunnen verhogen. En wanneer daar bovenop de pensioenen ook nog eens zijn gekort, is dat natuurlijk al helemaal wrang. Maar ook de pensioenen van de meeste jongeren zijn sinds 2009 niet of nauwelijks verhoogd en zijn later evengoed gekort. Tel daarbij op dat een deel van de huidig gepensioneerden hun pensioen hebben opgebouwd onder eindloonregelingen, pensioenleeftijd 65 jaar (vaak nog in combinatie met prepensioen en/of VUT) en in sommige gevallen ook nog met premieholidays. Zet dat af tegen de huidige jongeren die ‘het moeten doen’ met voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregelingen, pensioenleeftijd 68 jaar en premieverhogingen of anders gekorte opbouwpercentages (en in sommige gevallen zowel premieverhogingen als lagere opbouw). Neem je deze elementen mee in je afweging over hoe het vermogen verdeeld zou kunnen worden over de verschillende generaties, dan kun je stellen dat het juist evenwichtig is dat bij een dekkingsgraad boven 100% jongeren een relatief groter aandeel in het collectief vermogen krijgen dan ouderen. Maar door er weer andere elementen bij te halen, zou je wellicht ook deze stelling weer onderuit kunnen halen. Evenwichtigheid blijft daarmee een lastig na te streven iets. Het is immers maar net hoe je ernaar kijkt. Of beter: bereid bent om ernaar te kijken.

Een paar tips
Een van de grootste krachten van het Nederlandse pensioenstelsel is altijd de collectiviteit geweest en de onderlinge solidariteit tussen en binnen generaties. We zouden in staat moeten zijn om tot een verdeling te komen waarin zowel de jongeren als de ouderen zich kunnen vinden. Maar dan moeten we de kernwaarden collectiviteit en solidariteit hoog in het vaandel blijven houden. Juist in de, als het goed is, laatste discussie over de verdeling van het collectieve fondsvermogen tussen generaties. Hiermee is het invaren naar het nieuwe pensioenstelsel per definitie evenwichtig. Een aanvullende tip die ik daarbij heb is om ons niet te veel te laten leiden door de uitkomsten van allerlei sommetjes. Hoe interessant ik die als actuaris ook vind. Deze veronderstellen namelijk impliciet dat de uitgangssituatie evenwichtig is. En daar valt wel wat op af te dingen. Maar neem zeker ook meer kwalitatieve overwegingen mee. Bijvoorbeeld de verschillen in de pensioenregeling zoals die in de loop van de tijd tussen de verschillende generaties zijn ontstaan. Ik vrees namelijk dat we anders in een oeverloze en gepolariseerde discussie over rekenrente, (premie)dekkingsgraden etc. belanden waar niemand, en zeker niet de pensioenfondsdeelnemers, op zit te wachten en uiteindelijk ook niemand mee is gediend. In het pensioenakkoord is opgenomen dat de minister van SZW ten behoeve van de decentrale afweging van evenwichtigheid met een handleiding gaat komen. Ik mag hopen dat de minister hierin verder kijkt dan naar alleen de cijfermatige kant van evenwichtige belangenafweging en voldoende ruimte laat voor (ook) een bestuurlijke invulling van evenwichtigheid tussen generaties.

We hebben er inmiddels meer dan tien jaar over gedaan om te komen tot concrete en politiek gedragen plannen voor een nieuw pensioenstelsel. Hoewel het dus wel even heeft mogen duren, heeft de pensioenpolder uiteindelijk toch maar weer zijn kracht bewezen. Laten we nu ook daadwerkelijk de oversteek gaan maken naar het nieuwe pensioenstelsel. Wel met in ons achterhoofd de kernwaarden collectiviteit en onderlinge solidariteit. Hoe evenwichtiger we het invaarvraagstuk daarbij kunnen beslechten, hoe meer dit zal bijdragen aan een evenwichtige transitie naar het nieuwe pensioenstelsel als geheel.

Samenvatting
- Een groot winstpunt van het nieuwe pensioenstelsel is dat discussies over de verdeling van het collectieve vermogen tussen generaties eens en voor altijd verleden tijd zijn.
- Mogelijk twistpunt bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is het invaren van de bestaande pensioenaanspraken. Het kabinet schrijft hiervoor twee rekenmethoden voor.
- Uit oogpunt van objectiviteit, eenvoud en uitlegbaarheid pleit ik voor de standaardmethode.
- Bij het invaarvraagstuk moeten we ons niet alleen fixeren op de uitkomsten van allerlei rekenexercities. Ook meer kwalitatieve overwegingen als verschillen in pensioenregeling zoals die in de loop der tijd zijn ontstaan tussen generaties moeten in de evenwichtige belangenafweging worden meegenomen.
- Hoe evenwichtiger het invaarvraagstuk beslecht kan worden, hoe meer dit zal bijdragen aan een evenwichtige transitie naar het nieuwe pensioenstelsel als geheel.

Marcel de Wit schrijft dit artikel op persoonlijke titel.

1 Netspar Occasional Paper 3, September 2019 “De bepaling van de marktwaarde van bestaande aanspraken in een uitkeringsovereenkomst” van Bas Werker, Theo Nijman, Marcel Lever, Theo Kocken, Sacha van Hoogdalem, Lans Bovenberg, Kees Bouwman, Jan Bonenkamp, Dick Boeijen en Anne Balter.