Beloning van pensioenfondsbestuurders zuinig

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 3 2021

JORG AMENDE, ANALYST BIJ TPRA/MONEYVIEW EN RONALD DOORNBOS, PARTNER VAN HR-ADVIESBUREAU FOCUS ORANGE
Rubriek: PFG (Pension Fund Governance)
Geplaatst op 13-07-2021

Beloning van pensioenfondsbestuurders zuinig
Beloning van pensioenfondsbestuurders zuinig

Bestuurdersbeloning is een gevoelig onderwerp. Zeker in een sector met een belangrijke maatschappelijke functie, zoals de pensioensector. Daar past bescheidenheid. Tegelijkertijd moet de beloning passend zijn, om de kwaliteit van bestuur en de expertise te verzekeren. Dat gebeurt in een consoliderende markt waar de pensioenvermogens steeds vaker in de miljarden tellen en sponsors, toezichthouders en de Wet versterking bestuur pensioenfondsen hoge eisen stellen.

Dat een vertegenwoordiger van werkgever, werknemer of gepensioneerden bereid en gemotiveerd is de verantwoordelijkheid voor het beheer van het pensioenvermogen op zich te nemen, is al lang niet meer voldoende. Elke bestuurder moet betrouwbaar en geschikt zijn. Goedkeuring van een (her-)benoeming door toezichthouder DNB is bepaald geen vanzelfsprekendheid. Er heeft het afgelopen decennium een professionaliseringsslag plaatsgevonden, waarbij steeds vaker expertise van buiten in het bestuur wordt gehaald.

Niet verwonderlijk stijgt de beloning van pensioenfondsbestuurders. Het kost steeds meer tijd om de functie naar behoren te vervullen. Het product van meer expertise en hogere tijdsbesteding vraagt nu eenmaal een hogere vergoeding. De jaarlijkse Monitor beloningen van onderzoeksbureau TPRA laat over de afgelopen drie jaar een stijging zien van de gemiddelde beloning van 11% per jaar. Bij een inflatiedruk van rond een procent, betekent dat een forse opwaardering van de functie. Volgens de jongste monitor die najaar 2020 is verschenen ontvangt een lid van een paritair samengesteld bestuur inmiddels gemiddeld 28.696 euro. Is dat nog steeds bescheiden?

Tijdsbesteding bepalend
De beloning van een (niet-uitvoerend) bestuurder wordt geacht de verantwoordelijkheid en de tijdsbesteding van de functie te weerspiegelen. Dat is net zoals dat volgens de corporate governance code geldt voor de commissarissen bij ondernemingen. De transparantie over beloning laat echter te wensen over. Met name ten aanzien van de tijdsbesteding die door slechts 34 van de 173 onderzochte fondsen wordt verantwoord.

Toezichthouder DNB heeft daar wel een norm voor. Een pensioenfondsbestuurder zou gemiddeld een dag per week moeten besteden om zijn functie naar behoren uit te oefenen (of twee dagen voor de grootste fondsen met meer dan tien miljard vermogen). Dat wordt ondersteund door de Monitor van TPRA, die drie jaar geleden ook een tijdsbesteding van een dag per week registreerde en inmiddels uitkomt op een gemiddelde van 1,2 dagen (10 uur) per week.

Om tot een bij die tijdsbesteding passende beloning te komen, kunnen we de waardering van pensioenfondsbestuurders gebruiken die de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen tien jaar geleden heeft afgegeven. Als we die ‘vervangingswaarde’ berekenen naar rato van de DNB-norm voor tijdsbesteding en indexeren over de afgelopen tien jaar, dan mag de beloning per jaar uiteenlopen van 23.000 euro bij een klein fonds tot 32.500 euro voor een groot fonds. Dit leidt tot het dubbele voor de allergrootste fondsen (zie tabel). Het gemiddelde dat uit de TPRA-monitor naar voren komt past keurig bij het normbedrag voor middelgrote pensioenfondsen.

Marktvergelijking
Een bestuurder van een pensioenfonds laat zich, in het primair toezichthoudende karakter van de functie, naar onze mening beter vergelijken met een commissaris bij een onderneming dan een lid van de raad van bestuur. Volgens het Nationaal Commissarissenonderzoek dat Tias en de Erasmus Universiteit vorig jaar publiceerden (NCO 2020) besteedt een commissaris van een beursgenoteerde onderneming gemiddeld iets minder dan een dag per week aan zijn of haar taak. Dat is iets minder dan een gemiddelde pensioenfondsbestuurder, maar die commissaris krijgt daar wel 70.000 euro voor betaald oftewel tweeënhalve keer zoveel als de pensioenfondsbestuurder. De commissaris van een nietgenoteerde onderneming ontvangt gemiddeld twee keer zoveel als een pensioenfondsbestuurder voor iets meer dan een halve dag werk in de week.

Beter vergelijkbaar is de beloning van toezichthouders in de semipublieke sector. Zorginstellingen en woningcorporaties bijvoorbeeld betalen volgens het NCO ongeveer half zoveel voor krap de helft van de tijdsbesteding. De Wet normering topinkomens (WNT) stelt in het semipublieke domein een algemeen maximum van 31.350 euro voor een voorzitter van de raad van toezicht en 20.900 euro voor een lid. Bedragen waarmee een aantal pensioenfondsen moeite zou hebben.

Grote diversiteit
De vergelijking met commerciële bedrijven en semipublieke instellingen doet geen recht aan de aard en verantwoordelijkheid van pensioenfondsen. De gemiddeld grotere tijdsbesteding wijst op een intensievere betrokkenheid van bestuurders, wat het verschil in het karakter van de functie onderstreept. Zoals de titel al suggereert heeft het werk van de pensioenfondsbeheerder naast toezichthoudende ook bestuurlijke aspecten, wat aparte eisen stelt aan ervaring en capaciteiten.

Bovendien zijn gemiddelden niet maatgevend. Pensioenfondsen kunnen onderling sterk verschillen in karakter, structuur en omstandigheden, wat weer verschillende eisen stelt aan hun bestuurders. De beloning van de pensioenfondsbestuurder moet passend zijn voor de expertise en inzet die van hem of haar worden gevraagd bij dit specifieke fonds onder deze specifieke omstandigheden. Op grond van die formule kan de uitkomst in de beloning sterk verschillen en die verschillen zien we ook in de praktijk.

In paritair samengestelde besturen loopt de jaarlijkse vaste vergoeding uiteen van 5.000 tot 90.000 euro, zoals bijgaande grafiek toont. Er is een verband met de omvang van het fonds. In het algemeen geldt hoe groter het vermogen, hoe hoger de tijdsbesteding en hoe hoger de beloning. Maar dat verband is zeker niet lineair. De bovenkant van de marge wordt door één groot bedrijfstakpensioenfonds bepaald, op afstand gevolgd door ‘collega’s’ die allemaal net onder de hiervoor bepaalde normbeloning van 65.000 euro betalen. Aan de onderkant zien we kleine ondernemingspensioenfondsen die ver onder de minimumnorm zitten.
Een beloning van 5.000 euro per jaar komt, als de bestuurder voldoet aan de DNB-norm voor tijdsbesteding, neer op een vergoeding van honderd euro per dag. Kan een pensioenfonds zich voor dat geld werkelijk verzekeren van de vereiste professionaliteit en expertise?

Structurele verschillen
Niet alleen het beloningsniveau, maar ook de structuur loopt uiteen. De meeste fondsen hanteren een vaste vergoeding per jaar, maar in een aantal gevallen wordt daarnaast een vergoeding per bestuursvergadering uitgekeerd of wordt zelfs uitsluitend per vergadering vergoed. Daarnaast kan er een aparte vergoeding zijn voor bepaalde taken, zoals het voorzitterschap van het bestuur of lidmaatschap van de beleggingsadviescommissie.

De vertegenwoordigers van gepensioneerden die in de meeste besturen zitting hebben krijgen, als zij zelf gepensioneerd zijn, een lagere vergoeding. Bestuurders van ondernemingspensioenfondsen die zijn voorgedragen door de werkgever doen dat vaak in diensttijd en worden niet door het fonds betaald.
Half betaalde gepensioneerden en onbetaalde medewerkers van de werkgever zijn in de berekening van de gemiddelden buiten beschouwing gelaten om tot een zuiver beeld te komen. Aan de andere kant van het spectrum blijkt dat fondsen externe bestuurders gemiddeld ruim boven de norm betalen. De Monitor registreert in 2019 een vergoeding die ruim 16% boven de eerder aangegeven normvergoeding ligt waar dat een jaar eerder nog 10% was. De tendens dat fondsen steeds meer externe expertise binnenhalen en daarvoor extra betalen wordt hiermee bevestigd. Als deze expertise bijdraagt aan de gewenste professionalisering en kwaliteit van bestuur, is dat een welbestede kostenverhoging.

Het is aan individuele pensioenfondsen om een passend beloningsbeleid te ontwikkelen en te onderbouwen. Wat verwacht het fonds van zijn bestuur? Hoe zijn de taken verdeeld? En welke inzet hoort er bij de verschillende taken binnen het bestuur? Daarbij moet het fonds verantwoorden dat een bepaalde beloning of vergoeding wordt betaald die niet excessief is, maar wel voldoende om deskundige en betrouwbare bestuurders mee aan te trekken en vast te houden.

Meer transparantie
Een transparante verantwoording is het begin van draagvlak en begrip voor de geboden beloning. Dat geldt zeker voor pensioenfondsen die terechte concessies moeten doen aan de bescheidenheid om voldoende kwaliteit en expertise in het bestuur te verzekeren. Aan die transparantie ontbreekt het. Het aantal pensioenfondsen dat een ‘beloningsbeleidsdocument’ publiceert neemt toe, maar de informatie is vaak nog incompleet of te fragmentarisch om het geboden beloningsniveau goed te kunnen beoordelen.

Op basis van de tijdsbesteding die een minderheid van de pensioenfondsen verantwoordt, concludeert de TPRA-monitor dat een lid van een paritair bestuur inmiddels gemiddeld 1,2 dag per week aan zijn functie besteedt. Drie jaar geleden lag dat nog precies op de DNB-norm van één dag per week. De complexiteit en belasting van de functie neemt dus nog steeds toe, zeker nu het Pensioenakkoord geïmplementeerd gaat worden. De praktijk leert dat veel bestuurders aan de gemeten 1,2 dag per week dik tekortkomen. Deze ontwikkeling onderstreept dat de pensioenfondsen in het algemeen onder de norm niet zo ruim betalen.

Conclusie
Bescheidenheid zou niet het leidende beginsel in de beloning van pensioenfondsbestuurders moeten zijn. Bescheidenheid is gegeven het karakter van de functie gepast, maar dan nadrukkelijk wel ten aanzien van een beloning die past bij taak en rol. Valse bescheidenheid leidt vroeg of laat tot verschraling van de expertise en professionaliteit die een pensioenfonds in een snel veranderende markt nodig heeft. En dat is een risico dat geen enkel pensioenfonds mag nemen.