Betrek Raad van Toezicht bij Wtp

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 3 2022

ROLAND DE GREEF, ADVOCAAT BIJ HOUTHOFF, LID RAAD VAN TOEZICHT BIJ PENSIOENFONDS PROVISUM EN LID VAN HET BESTUUR VAN DE VERENIGING INTERN TOEZICHTHOUDERS PENSIOENFONDSEN (VITP)
Rubriek: PFG (Pension Fund Governance)
Geplaatst op 26-07-2022

Betrek Raad van Toezicht bij Wtp

In het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen (Wtp) heeft de RvT een instemmingsrecht gekregen bij het 'invaren' van opgebouwde aanspraken en rechten. Op die manier is het ontbreken van het instemmingsrecht van de deelnemers, gewezen deelnemers en partners en pensioengerechtigden op dit punt beter geborgd dan in de eerdere consultatie-versie van dit wetsvoorstel.

De RvT voor pensioenfondsen is gereguleerd in de Pensioenwet (Pw) en de Code pensioenfondsen. Minder bekend in het pensioenfondsendomein is dat de RvT ook is gereguleerd op grond van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR), zoals opgenomen in het stichtingenrecht in boek 2 van het Burgerlijk wetboek.
De WBTR bevat een wettelijke basis voor het in de Pw al langer bekende monistische bestuursmodel (ook wel: one tier board), dat zich kenmerkt doordat de intern toezichthoudende functie deel uitmaakt van het bestuur van de stichting (uitvoerende en niet-uitvoerende bestuursleden, ofwel: UB’ers en NUB’ers) Daarnaast kennen we het bestuursmodel met een afzonderlijke RvT (two tier board). Onder de WBTR wordt overigens zowel de term Raad van Commissarissen als Raad van Toezicht gebruikt. Hiertussen bestaat inhoudelijk geen verschil.

Wanneer een RvT?
Hoewel ik mij in deze bijdrage beperk tot de RvT, sta ik eerst kort stil bij de andere vormen van intern toezicht, zodat de RvT beter geplaatst kan worden in het governancemodel van pensioenfondsen. Welke vorm van intern toezicht van toepassing is, is niet alleen afhankelijk van de keuze in het bestuursmodel (one of two tier), maar ook afhankelijk van het type pensioenfonds, de omvang daarvan in termen van belegd vermogen en het al dan niet herverzekerd zijn. Bij een bedrijfstakpensioenfonds met een paritair of onafhankelijk bestuur wordt het intern toezicht uitgeoefend door een RvT, tenzij het bedrijfstakpensioenfonds volledig is herverzekerd. In dat geval kan volstaan worden met een jaarlijkse visitatie door een VC. Bij een ondernemingspensioenfonds met een paritair of onafhankelijk bestuur vindt het toezicht plaats door een RvT of een VC. De VC is bij een ondernemingspensioenfonds echter alleen toegestaan als het belegd vermogen minder bedraagt dan 1 miljard euro of als er sprake is van volledige herverzekering.
Bij een pensioenfonds met een gemengd bestuur wordt het intern toezicht uitgeoefend door de NUB’ers. Bij een algemeen pensioenfonds vindt het intern toezicht plaats door een RvT.

Geschiktheid
De Pw bepaalt dat bestuurders en overige beleidsbepalers, waaronder de RvT, geschikt en betrouwbaar moeten zijn. Het stellen van een leeftijdsgrens aan leden van de RvT is verboden (nietig). Leden van de RvT (hetzelfde geldt voor bestuurders), moeten voldoende tijd hebben voor de uitoefening van hun functie. Daarbij wordt een model gehanteerd dat Voltijd equivalent score (VTE-score) wordt genoemd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt of het lid van de RvT al dan niet de voorzitter is. De VTE-score voor een rol als RvT-lid bedraagt 0,1. Voor de voorzitter betreft dit het dubbele. In totaal mag een RvT-lid samen met andere intern toezicht- of bestuursfuncties niet meer dan 1 VTE scoren. DNB toetst de geschiktheid en betrouwbaarheid van een lid van de RvT. Daarbij wordt onder andere gekeken naar kennis, ervaring, vaardigheden, professioneel gedrag en antecedenten.

Benoeming en ontslag
De statuten van een pensioenfonds bevatten bepalingen over de wijze van benoeming en ontslag van de leden van de RvT. De leden van de RvT moeten natuurlijke personen zijn. De invulling van de benoemingsregels is overgelaten aan de ‘partijen in het veld’. Daarbij moet rekening gehouden worden met de ‘diversiteit’ in de samenstelling van de RvT. Dat moet vorm krijgen binnen het pensioenfonds als een ‘groeimodel’. De zittingsduur is beperkt tot vier jaar. Een lid van de RvT mag een keer herbenoemd worden. Een lid van de RvT wordt benoemd door het bestuur na bindende voordracht van het verantwoordingsorgaan en wordt ontslagen door het bestuur na bindend advies van het verantwoordingsorgaan.

Taken en bevoegdheden
Naast de Pw en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling bevat ook de Code pensioenfondsen een aantal handvatten en criteria voor een adequate uitoefening van de intern toezichttaak. De hoofdtaak van de RvT is het toezien op:
1. Adequate risicobeheersing.
2. Evenwichtige belangenafweging door het bestuur.
Daarnaast staat de RvT het bestuur met raad terzijde. Verder heeft de RvT instemmingsrecht op een aantal belangrijke bestuursbesluiten. Het is van belang dat de RvT voldoende afstand houdt tot het bestuur. De RvT moet onafhankelijk toezicht kunnen houden en zich niet laten verleiden tot het adviseren van het bestuur. Het ‘met raad’ terzijde staan gaat niet zover dat de RvT een volwaardige adviesrol inneemt. Ook mag een RvT-lid zich niet als bestuurder gedragen. De verantwoordelijkheden moeten bij het gremium blijven waar deze thuishoren. Het bestuur moet de belangen van alle belanghebbenden op een evenwichtige wijze afwegen. Het bestuur stelt daartoe beleid op. De rol van de RvT beperkt zich tot het toetsen of het bestuur het eigen beleid vervolgens op een juiste en controleerbare wijze heeft uitgevoerd. Het accent ligt dus op het beoordelen van beleids- en bestuursprocedures en -processen, op checks en balances, op de wijze waarop het pensioenfonds wordt aangestuurd en op de wijze waarop wordt omgegaan met de risico’s op langere termijn. In het geval van uitbesteding door het pensioenfonds moet de RvT ook kijken of adequate waarborgen zijn ingebouwd dat de afspraken door de uitbestedingspartner worden nageleefd en in het belang van de deelnemers zijn. De RvT legt verantwoording af aan het VO, de werkgever en in het jaarverslag.

Onder de Wtp krijgt de RvT niet alleen instemmingsrecht op het invaren, maar moet de RvT nadrukkelijk worden betrokken bij de toetsing op het implementatieproces van de Wtp, niet alleen vanuit het oogpunt van het toezicht op evenwichtige belangenafweging, maar ook vanuit het oogpunt van een adequate risicobeheersing.