Vertrouwen in de sector

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 2 2020

ERIK MARTENS, PENSIOENADVISEUR EN ADVISEUR BESTUUR ADMINISTRATIE GROEP HOLLAND Rubriek: Stelsel
Geplaatst op 10-06-2020
Vertrouwen in de sector De afgelopen periode was heftig voor de pensioensector. En de rust is nog niet teruggekeerd. Maatschappelijke en demografische ontwikkelingen zijn van invloed geweest op de verandering van het pensioenproduct en het pensioenstelsel. Een terugblik op deze periode roept de vraag op of de pensioensector zich opnieuw weet uit te vinden, zodat er weer vertrouwen in de sector komt.

Professionaliseringsslag
Wetgeving
Wetgeving initieerde de afgelopen twintig jaar veel veranderingen in de pensioensector. De belangrijkste wetgevingen zijn de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (2000), Wet verplichte beroepspensioenregeling (2005), Wet VPL (2006), Pensioenwet (2007), Wet financieel toezicht (2007), Wet versterking bestuur pensioenfondsen (2014), Wet pensioencommunicatie (2015), Europese Algemene verordening gegevensbescherming (2018) en de implementatie van IORP II (2019).

Toezicht
Een aantal van deze wetten, in het bijzonder de Pensioenwet, Wet financieel toezicht en de Algemene verordening gegevensbescherming, is bepalend geweest voor het organiseren van het toezicht op de pensioensector. In 2002 maakte het sectorale toezicht plaats voor functioneel toezicht, met als onderscheid prudentieel en gedragstoezicht. De Nederlandsche Bank (DNB) kreeg de verantwoordelijkheid voor het prudentieel toezicht. Het gedragstoezicht werd opgedragen aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM). De Autoriteit Persoonsgegevens houdt sinds 2016 toezicht op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens.

Governance
Wetgeving heeft in de afgelopen twintig jaar de governance van pensioenfondsen verbeterd. Het van oudsher paritaire pensioenfondsbestuur kreeg een speciaal medezeggenschapsorgaan: de deelnemersraad. Deze raad behartigt de belangen van slapers en gepensioneerden. De wettelijke regeling van de deelnemersraad is opgenomen in de Pensioenwet. De Code pensioenfondsen en de Wet versterking bestuur pensioenfondsen hebben de governance van de fondsen verder ontwikkeld. Het bestuur is eindverantwoordelijk en intern toezicht houdt toezicht op processen en procedures. De inrichting van het intern toezicht is afhankelijk van het gekozen bestuursmodel. Bestuur en intern toezicht hebben elk een eigen taak en leggen daarover (ieder apart) verantwoording af aan een verantwoordings- of belanghebbendenorgaan. De Monitoringcommissie Code pensioenfondsen heeft als taak de naleving van de Code te toetsen.
Krachtens de Algemene verordening gegevensbescherming dient een pensioenfonds een functionaris voor gegevensbescherming aan te stellen. Als gevolg van IORP II moeten binnen het bestuur van een pensioenfonds sleutelfunctiehouders worden benoemd voor de gebieden: Internal Audit, Risicobeheer en Actuarieel. Met als doel onafhankelijk countervailing power binnen het bestuur te creëren.

Pensioenuitvoering
Aan het begin van deze eeuw zijn de administraties van de pensioenuitvoerders millennium- en europroof gemaakt. De pensioenadministratie kan in eigen beheer worden gehouden of worden uitbesteed. In beide gevallen moet aantoonbaar zijn voldaan aan de eisen van beheerste en integere bedrijfsvoering en – bij uitbesteding – ook aan de wet- en regelgeving over uitbesteding. De marktafbakening zoals is bepaald in de Wet verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds 2000 en de Wet verplichte beroepspensioenregeling is van invloed geweest op het besluit van de toen nog zelfadministreerders PGGM en ABP om hun administratie uit te besteden. PFZW aan PGGM en ABP aan APG. Achtergrond hiervan is dat de uitvoeringsorganisaties aanvullende pensioen- en verzekeringsproducten wilden aanbieden. Bij de ontmanteling van het GAK en de bedrijfsverenigingen werd de pensioenadministratie van de daar in het beheer zijnde fondsen verzelfstandigd. Er ontstonden nieuwe pensioenuitvoeringsorganisaties die met elkaar een fusie aangingen. In 2010 veranderden pensioenfondsen voor het eerst van uitvoerder. Er ontstond marktwerking onder de uitvoerders. In 2011 en 2016 kwamen als nieuwe spelers op de markt de Premiepensioeninstelling (PPI) en het Algemeen pensioenfonds (APF). Voor een pensioenfonds, PPI en APF is het van belang het pensioenbeheer zo te organiseren dat de pensioenadministratie beheersbaar en voldoende aanpasbaar is om veranderingen te kunnen doorvoeren. Er moet sprake zijn van een robuuste pensioenadministratie, waarop de belanghebbenden kunnen vertrouwen. Goede datakwaliteit is een vereiste. Oude pensioensystemen moeten daarom vervangen worden door modernere pensioensystemen (STP-gericht) ondergebracht in een IT-volwassenomgeving (voldoen aan de 58 COBIT-normen van DNB). Niet alle pensioenfondsen waren/zijn in staat om in deze professionaliseringsslag mee te gaan. Te veel druk op het pensioenfondsbestuur en te hoge kosten brengen vele kleinere pensioenfondsen ertoe om op te gaan in een groter pensioenfonds.

Vertrouwen in de pensioensector
Maatschappelijke en demografische ontwikkelingen zijn de afgelopen decennia van invloed geweest op de verandering van het pensioenproduct en het pensioenstelsel. Kostenbeheersing en modernisering waren de uitgangspunten om de pensioenregelingen beter te laten aansluiten bij de flexibilisering van de arbeid en de grotere mate van individualisering en bij de wens om pensioen als afzonderlijk element van de arbeidsbeloning te zien. In deze ontwikkeling heeft de eindloonregeling plaats gemaakt voor de voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling, die op zijn beurt ook veelal is vervangen door de beschikbare premieregeling. De VUT-regelingen werden omgezet in prepensioenregelingen. Echter ook de prepensioenregeling had een kort bestaan. De Wet VPL (2006) moest ervoor zorgen dat ouderen langer aan het werk blijven. De levensloopregeling werd geïntroduceerd, zodat er voor een vervangend inkomen tijdens onbetaald verlof kon worden gespaard. In 2012 werd de levensloopregeling afgeschaft. Bij de invoering van de Pensioenwet met als onderdeel een nieuw Financieel toetsingskader is de vaste rekenrente van 4% voor de waardering van de verplichtingen vervangen door het waarderen van de verplichtingen conform een yieldcurve. Door het verschil in rentegevoeligheid tussen bezittingen en verplichtingen van een fonds ontstaat er bij rentedaling een neerwaartse druk op de dekkingsgraad.
Door de kredietcrisis van 2008 daalde de dekkingsgraad van de gezamenlijke Nederlandse pensioenfondsen sterk. De sterk gedaalde kapitaalmarktrente veroorzaakte een verdere neerwaartse druk op de dekkingsgraden, met als gevolg het korten van de lopende en opgebouwde pensioenen. Pensioenfondsen pogen, conform de Wet pensioencommunicatie, de belanghebbenden uitleg te geven over dit technisch complexe product en hun financiële situatie.
Veel van de hoofdrolspelers op het pensioentoneel vinden dat het pensioenstelsel moet worden aangepast. Dit terwijl uit onderzoek blijkt dat het Nederlandse pensioenstelsel één van de beste in de wereld is. Toch is het vertrouwen in het stelsel erg laag. Het is zelfs doorgeschoten in wantrouwen. Oorzaken zijn de wijzigingen in het pensioenproduct waardoor men langer moet werken, pensioenen zijn jarenlang niet geïndexeerd en (dreigende) korting van de pensioenen. Via de media is dit wantrouwen verder aangewakkerd, door programma’s van Zembla over ‘het clusterbom gevoel’ en ‘Het verdwenen pensioengeld’ en door de MAX-documentaire Zwarte Zwanen over ‘Pensioengeld is niet van de pensioenfondsen. Het is geld van miljoenen Nederlanders’ en ‘In de pensioenwereld zijn de salarissen te hoog en er is sprake van een onderlinge banencarrousel’.

Het pensioenakkoord
Na acht jaren van studie en overleg zijn de hoofdrolspelers in 2019 tot een pensioenakkoord gekomen. De tijd zal leren of de pensioensector met dit akkoord zich opnieuw weet uit te vinden en het vertrouwen van de belanghebbenden weet terug te winnen.

Op persoonlijke titel geschreven.