Theo Langejan over reacties in Europa: “Geef ons jullie probleem, dan krijgen jullie het onze”

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 1 2021

INTERVIEW: ALFRED KOOL MCC, VAKREDACTEUR PBM
Rubriek: Beleid
Geplaatst op 15-12-2020

Theo Langejan over reacties in Europa: “Geef ons jullie probleem, dan krijgen jullie het onze”
Voor dit nummer ging PBM aan tafel met Theo Langejan, de nieuwe voorzitter van de Raad van Advies van PBM. Omdat we nog middenin de coronacrisis zitten, was die tafel ook deze keer virtueel. Maar dat was voor Theo geen belemmering om bevlogen te praten over de sector waar hij al heel lang, met een enkele onderbreking, bij betrokken is. Sinds een paar jaar als Bijzonder Bestuursadviseur bij de Pensioenfederatie en al vele jaren verbonden aan PBM, waar hij de RvA-voorzittershamer in april van dit jaar overnam van Benne van Popta. Met zijn federatiepet op is Europa een deel van zijn werkterrein, met Brussel als basis. Daarover spraken we, maar ook over het Pensioenakkoord, de effecten van corona en nog veel meer. Het werd een boeiend en levendig gesprek.

Met corona worstelt iedereen in Europa, maar hoe zit dat met pensioenen?
Theo Langejan: “Ik sprak laatst – digitaal – een zaal toe in Parijs over de pensioenhervormingen in Nederland. En dan zie je mensen met ongeloof in hun ogen. Jullie zijn al tien jaar nummer één in de wereld, waarom ga je alles veranderen? Dat heb ik vervolgens natuurlijk netjes uitgelegd, maar je ziet ze denken: “geef ons jullie probleem, dan krijgen jullie dat van ons.” Dat men in het buitenland onze worsteling vaak ziet als een luxeprobleem is best begrijpelijk. Die ‘luxe’ leunt op iets waar we het zelf eigenlijk nauwelijks over hebben, namelijk de AOW. We hebben een ruimhartige eerste pijler, in die zin dat iedereen wordt toegelaten. Je hoeft geen arbeidsverleden te hebben. Dat maakt dat wij onvoorstelbaar weinig armoede onder ouderen hebben. Die situatie is in landen als Frankrijk en Engeland ondenkbaar. Omdat in de meeste landen een eerstepijlerpensioen afhankelijk is van het arbeidsverleden, krijgen veel weduwen of getrouwde vrouwen bijna niets. En als je een beetje pech hebt mag je ook nog eerst je eigen huis opeten.”

De combinatie van een via omslag gefinancierde eerste pijler en een kapitaalgedekte tweede pijler maakt ons stelsel inderdaad robuust in vergelijking met veel andere landen.
“Ik noem het altijd maar de eerste vorm van risicospreiding die we hebben. In de eerste pijler zit natuurlijk ook een risico, maar dat is politiek van aard.”

Hoe zie jij het effect van corona op de pensioensector? Is het alleen een bedreiging, of liggen er ook kansen?
“Het directe effect van corona op ons stelsel is niet zo groot. Het aantal 65-plussers verandert niet ingrijpend, de bestaande pensioenopbouw hebben we al en de uitkeringen hebben we ook al. Je zou dus kunnen zeggen dat het stelsel zoals we dat nu hebben tijdens een crisis zoals deze functioneert als een automatische stabilisator. Dat is de korte termijn. Op de langere termijn zullen er zeker effecten optreden. Als er bijvoorbeeld sectoren zijn waar de economische activiteit enorm krimpt, dan krimpt ook het deelnemersbestand van het betreffende pensioenfonds. Dus op fondsniveau ga je er dan zeker effecten van zien. En nog iets verder redenerend, zullen er ongetwijfeld ook weer nieuwe economische activiteiten ontstaan. Maar de ervaring van de afgelopen 10 jaar leert wel dat nieuwe sectoren over het algemeen minder de neiging hebben om collectieve pensioenen te organiseren. Met andere woorden, met of zonder corona verandert de arbeidsmarkt, en dat heeft zeker effect op het huidige stelsel. Corona kan die ontwikkeling hooguit iets versnellen.”

Zzp’ers hebben het nu heel lastig. Dat maakt de uitdaging om zzp’ers te interesseren voor opbouw van aanvullend pensioen alleen maar groter.
“Met de voorgenomen pensioenhervorming en de overstap naar een DC-contract met een vlakke premie kun je de problemen die we hadden met de doorsneesystematiek – denk aan mensen die zo nu en dan wisselen tussen loondienst en zelfstandigheid – redelijk oplossen. Blijft staan dat het alleen maar werkt wanneer die zzp’er als zelfstandige bereid is om een vergelijkbaar bedrag opzij te leggen voor z’n oudedag. Dat brengt me op een ander punt. Er zijn maar weinig mensen in Nederland die zich realiseren hoe duur pensioen is. Een gemiddelde werknemer heeft geen idee hoeveel zijn werkgever bijdraagt aan zijn pensioen. Op loonstrookjes is dat helaas ook niet zichtbaar. Dat kan tot een onder zzp’ers gevaarlijke gedachte leiden dat een afdracht van zeg 2% voor pensioen afdoende is.”

Qua timing valt de overgang naar het nieuwe stelsel misschien wel mooi samen met corona. Als samenleving leren we versneld denken in onzekerheden.
“We gaan inderdaad naar een wereld van onzekerheid. In zekere zin is corona daar een mooie demonstratie van. Eind vorig jaar had niemand kunnen voorspellen in wat voor situatie de hele wereld zich nu bevindt. En in no time schakelen we door naar de nieuwe situatie en realiseren we ons dat het niet zomaar weg is. Maar vergis je niet, uit allerlei onderzoeken blijkt dat als je het mensen vraagt, ze juist een voorkeur voor zekerheid hebben. Begrijpelijk maar lastig. Zekerheid is namelijk onbetaalbaar. En voor een deel van de werkenden is de zorg nog groter. Niet alleen pensioen maar ook het hebben van een baan is onzekerder geworden. In dergelijke situaties zie je dat mensen de neiging hebben om wat meer naar de overheid te kijken en minder naar private partijen in de verwachting dat die overheid zekerheden zou kunnen bieden. In dat licht moeten we de komende periode scherp blijven in het debat over pensioen omdat niet iedereen scherp heeft dat aanvullend pensioen het domein van sociale partners is, en daarmee een private aangelegenheid en dus geen publieke. Daar zou zomaar misverstand over kunnen ontstaan. Besturen moeten daar scherp op blijven en zorgvuldig laveren tussen publieke en politieke belangen.
We hebben het in zekere zin als sector ook wel een beetje laten gebeuren. Neem bijvoorbeeld de discussie over invulling van de zekerheidsmaten. Dat is een politieke discussie geworden. Den Haag beslist en DNB voert uit.”

Met het nieuwe stelsel nemen we afscheid van die zekerheid. Maar hebben we er niet, tegen beter weten in, te lang aan vastgehouden?
“Als je dingen collectief doet heb je meer ruimte om schokken op te vangen. Het luistert nauw hoe je die solidariteit onder de aandacht weet te brengen. In abstracte termen zijn de meesten wel enthousiast, maar wanneer iemand zich realiseert dat hij meebetaalt aan een concrete voorziening van een ander, dan is het enthousiasme meestal een stuk minder.”

Vasthouden aan zekerheid is decennialang goed gegaan. Het is pas gaan schuiven toen de sector begin van deze eeuw niet meer aan de indexatieverwachtingen kon voldoen. Als je vervolgens bijna 20 jaar blijft hopen op betere tijden, raak je het vertrouwen wel kwijt.
“Dat klopt, we hadden als sector veel beter de verwachtingen moeten managen. Deelnemers vinden het uiteraard niet leuk om met onzekerheden te worden geconfronteerd. Maar door die zure appel hadden we heen moeten bijten. Pas daarna kun je werken aan herstel van vertrouwen. Vanuit redelijkheid kan iedereen begrijpen waar we mee bezig zijn.
Vraag jij maar eens aan je buurman of hij weet wat over 40 jaar de hypotheekrente is. Dat is natuurlijk een onzinnige vraag. Maar tegelijk geven we diezelfde buurman via zijn fonds al vele jaren een pensioenopgave die uitgaat van een bepaalde pensioenstand in de verre toekomst. Daarmee hebben we het idee gewekt dat er op dat vlak nog steeds zekerheden bestaan. Als die dan niet uitkomen, roep je de ellende over jezelf af. Ik denk dat we dat effect hebben onderschat.”

En vervolgens hebben we nog relatief lang gedacht dat het misschien wel weer goed zou komen. Daarmee hebben we veel tijd vermorst als het gaat om herstel van vertrouwen.
“Dat ‘niet meer goedkomen’ klopt, althans ten opzichte van de verwachtingen die we zelf gewekt hebben. Maar je kunt er ook anders naar kijken. Ondanks die enorme schommelingen in de economie en de financiële markten hebben de fondsen toch nog hele behoorlijke rendementen weten te boeken. Maar doordat we zo gefocust zijn op of pensioen al of niet een belofte is, ontstaat een soort algemene treurigheid waardoor we nauwelijks nog zien dat een aantal dingen wel degelijk goed gaan, mede omdat we het in collectiviteit doen.”

Als je eenmaal het vertrouwen hebt verspeeld dan is het lastig om nog aandacht te vragen voor de dingen die wel goed gaan. Hoe zorgen we dat de deskundigheid van de sector weer serieus genomen wordt?
“In ieder geval door realistisch te zijn en te onderkennen dat de wereld onzeker is en voorlopig onzeker zal blijven, zoals Benne van Popta dat in een vorig nummer zo helder verwoordde. De grootste fout die wij als sector kunnen maken is door dat niet onder ogen te zien. Ook wij kunnen geen zekerheden bieden, wees daar eerlijk over. Uiteindelijk waarderen mensen dat meer dan niet waargemaakte beloftes. Wat dat betreft biedt het nieuwe contract goede mogelijkheden. Je kunt straks veel beter aan deelnemers laten zien wat je wel voor ze hebt bereikt. En ik weet zeker dat mensen dat gaan waarderen. De meeste mensen, ook jij en ik, zijn in de basis risicomijdend. We zijn niet in staat om 40 jaar vooruit te denken en raken al snel onder de indruk van de schok van vandaag. Als je vanuit die positie alles zelf zou moeten regelen dan doe je jezelf al snel tekort met een te laag pensioen, simpelweg omdat je te voorzichtig bent over die hele opbouwperiode. De toegevoegde waarde van het collectieve systeem is in een DC-omgeving gelukkig eenvoudiger zichtbaar te maken. De verplichte deelname en het collectieve karakter blijven ook in de toekomst heel belangrijk in onze oudedagsvoorziening. We moeten risico’s blijven delen, maar geen beloftes meer doen.”

We hebben nu een pensioenakkoord, althans op hoofdlijnen. Hoe kijk je naar de uitwerking?
“Wat ik nog wel een uitdaging vind is dat het pensioenakkoord nu volop in de belangstelling staat. Begrijpelijk want de aanloop was best lang, en de bevalling zwaar. Maar die aandacht wekt ook verwachtingen. En als mensen vervolgens vragen wanneer ze er iets van gaan merken, dan is het antwoord: pas vanaf 2026. Dat is voor veel mensen nauwelijks te overzien. Het is allemaal wel uit te leggen, maar of daar veel interesse in zal zijn, waag ik te betwijfelen. En intussen bevestigt het wel onbedoeld het beeld van een trage, bureaucratische sector. Daar liggen communicatief nog wel wat uitdagingen.”

Hoe moet de sector daarin acteren?
“Mijn indruk is dat we als sector de afgelopen twee jaar een paar goede stappen hebben gezet. Partijen vinden elkaar beter dan voorheen. Dat helpt zowel in tempo als in eenduidige communicatie. Ik heb goede hoop dat we daarin door kunnen pakken.”

Je bent begonnen als voorzitter van de RvA van PBM, dat begint aan zijn 18e jaargang. Heeft een papieren magazine nog wel toekomst?
“Ik behoor nog tot de generatie die een papieren blad prettig vindt. Maar los daarvan, we worden vooral gelezen door bestuurders van pensioenfondsen. Die hebben een toenemend aantal kanalen ter beschikking om alle relevante feiten, ontwikkelingen en actualiteiten te verzamelen. Dat gebeurt allemaal digitaal en snel. Wij moeten niet de ambitie hebben om in dat speelveld een rol van betekenis te spelen. Diezelfde bestuurders hebben ook behoefte aan opinie achter de feiten en verdieping. Dat helpt om structuur te brengen in je eigen meningsvorming. En dat is precies wat we doen. In PBM laten we de leidende spraakmakers aan het woord. Ook als je het niet met een goed onderbouwde opinie eens bent, het helpt je wel om je eigen gedachten te ordenen.
Er speelt heel veel en zeker bij de middelgrote en kleinere fondsen bestaat een grote behoefte aan uitleg en goed uitgewerkte praktische informatie. Daarin voorziet PBM. En afhankelijk van de wensen van de lezers zou je daarin best een geleidelijke verschuiving van papier naar digitaal kunnen doorvoeren. Maar eigenlijk is dat proces al gaande, met een steeds actievere rol van website en nieuwsbrief naast het magazine.”