Matiging stijging van AOW-leeftijd

Uitgave: Pensioen Bestuur & Management (PBM) nummer 4 2019

JOOP DE BEER, NIDI Rubriek: Trends en strategie
Geplaatst op 08-10-2019
Matiging stijging van AOW-leeftijd Het meest concrete onderdeel van het op 5 juni gesloten nieuwe pensioenakkoord is de minder harde stijging van de AOW-leeftijd. Dit leidt tot een beter evenwicht tussen de lengte van het werkzame leven en het aantal pensioenjaren. Wel vallen er nog enkele kanttekeningen te maken bij de nieuwe afspraken.

Het besluit om de AOW-leeftijd vanaf 2012 te laten stijgen was destijds niet zozeer ingegeven door de stijging van de levensverwachting, maar vooral door de vergrijzing. Vanaf 2012 neemt het aantal 65-plussers sterk toe als gevolg van de naoorlogse geboortegolf. Toen eenmaal was besloten de vaste AOW-leeftijd van 65 jaar los te laten, ging dat aanvankelijk in kleine stappen van een maand per jaar. Maar al snel werd het stijgingstempo versneld. De aanleiding was wederom niet een snelle stijging van de levensverwachting, maar de financiële crisis. Nadat in 2011 in de Stichting van de Arbeid een pensioenakkoord was overeengekomen waarin werd afgesproken dat de AOW-leeftijd zou stijgen tot 67 jaar in 2025, werd dit bij het Lenteakkoord van 2012 versneld tot 67 jaar in 2023. En in het regeerakkoord van Rutte II in 2014 werd het stijgingstempo verder versneld tot 67 jaar in 2021. Verder werd toen besloten dat de stijging van de AOW-leeftijd na 2021 gekoppeld zou worden aan de stijging van de levensverwachting. Dat gebeurde in stappen van drie maanden. Als de levensverwachting op 65-jarige leeftijd met drie maanden toenam, zou ook de AOW-leeftijd met drie maanden stijgen.

Versnelling stijging AOW-leeftijd
Om de versnelling van de stijging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar in 2021 te realiseren, werd de AOW-leeftijd door Rutte II in de jaren 2019-2021 met drie grote stappen van steeds vier maanden verhoogd. Dit is 2,5 keer zo snel als de (verwachte) stijging van de levensverwachting. Van die drie grote stappen werd alleen de stijging in 2019 tot de huidige AOW-leeftijd van 66 jaar en vier maanden gerealiseerd. In het nieuwe pensioenakkoord is de stijging in de jaren 2020 en 2021 teruggedraaid en wordt de AOW-leeftijd twee jaar bevroren. Daarna volgt alsnog een snelle stijging tot 67 jaar in 2024 (zie figuur 1).

nidi1

Opmerkelijk is dat de stijging in de jaren 2022-2024 sneller is dan de verwachte stijging van de levensverwachting in die jaren. Deze stijging kan worden gezien als een compensatie van de bevriezing van de AOW-leeftijd in 2020 en 2021. Als naar de gehele periode 2019-2024 wordt gekeken, komt de stijging van de AOW-leeftijd vrijwel overeen met de stijging van de levensverwachting.

Levensverwachting

Pas na 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de stijging van de AOW-leeftijd op 65 jaar. Als de levensverwachting met een jaar stijgt, neemt de AOW-leeftijd met acht maanden toe. Dit gebeurt in stappen van drie maanden. In de praktijk komt dit erop neer dat de AOW-leeftijd met 3 maanden stijgt wanneer de levensverwachting met 4,5 maanden toeneemt. Deze koppeling is een compromis. Naar verluidt was de inzet van de vakbeweging bij de onderhandelingen om de AOW-leeftijd een half jaar te laten stijgen bij een jaar winst in de levensverwachting, terwijl het kabinet tien maanden aanbood. Maar acht maanden is niet alleen het gemiddelde van zes en tien maanden. Het zorgt ook voor een evenwichtige verdeling van de winst in levensverwachting tussen AOW- en werkjaren. De Beer, Van Dalen en Henkens (2017) wezen erop dat de één-op-één koppeling van AOW-leeftijd en levensverwachting leidde tot een onevenwichtige verhouding tussen pensioenjaren en de duur van het werkzame leven. Tot 2012 kwam de stijging van de levensverwachting volledig ten goede aan meer AOW-jaren. Nieuwe generaties AOW’ers konden steeds langer van hun AOW genieten zonder dat ze daarvoor langer hoefden te werken. Volgens het besluit van Rutte II gold vanaf 2021 precies het omgekeerde. De winst in levensverwachting zou voor jonge generaties volledig opgaan aan langer werken. Toekomstige generaties AOW’ers moesten langer werken zonder dat ze langer van hun AOW konden genieten. Hierdoor zou de verhouding tussen AOW- en werkjaren uit balans raken. Nam die verhouding tot 2012 sterk toe, de komende jaren zou die verhouding dalen. Als we ervan uitgaan dat men gemiddeld op 20-jarige leeftijd begint met werken, bedraagt de verhouding tussen het verwachte aantal jaren dat men AOW ontvangt en het aantal jaren dat men tot de AOW-leeftijd werkt 0,41 in 2019 (zie figuur 2).

nidi2

Uitgaande van de regels van Rutte II zou deze verhouding dalen tot 0,37 in 2060. Om dit cijfer in perspectief te plaatsen: dit is dezelfde verhouding als begin jaren tachtig. Met andere woorden, de stijging in de verhouding tussen AOW- en werkjaren in de afgelopen veertig jaar zou de komende veertig jaar geheel worden teruggedraaid. In het nieuwe pensioenakkoord is dit rechtgetrokken. De gematigde stijging van de AOW-leeftijd zorgt voor een evenwicht tussen de toename van het aantal AOW-jaren en de lengte van het werkzame leven.

Prognoses monitoren
De nieuwe koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting valt dus goed te verdedigen. Maar er vallen nog wel enkele kanttekeningen te maken bij de nieuwe afspraken. In de eerste plaats is er door de bevriezing van de AOW-leeftijd in de jaren 2020-2021 en de versnelde stijging in de jaren 2022-2024 een onevenwichtigheid ontstaan tussen de generaties die de komende vijf jaar met AOW gaan. Een geleidelijke stijging van de AOW-leeftijd vanaf 2020 zou logischer zijn geweest. In de tweede plaats is de toekomstige ontwikkeling van de AOWleeftijd onzeker. Doordat de stijging van de AOW-leeftijd zal worden gekoppeld aan toekomstige prognoses van de levensverwachting door het CBS en die prognoses geregeld worden bijgesteld, kan de AOW-leeftijd na 2024 hoger of lager uitvallen dan nu wordt verwacht. In plaats daarvan had men er ook voor kunnen kiezen om de hoogte van de AOW-leeftijd nu al voor een langere periode vast te leggen. Bijvoorbeeld een geleidelijke stijging tot 68 jaar in 2040. Dan zouden mensen die in de jaren zestig zijn geboren nu al weten waar ze aan toe zijn. Ergens halverwege die periode zou dan kunnen worden gemonitord of de stijging van de levensverwachting niet al te sterk van de verwachte trend afwijkt. In dat geval zou het stijgingstempo van de AOW-leeftijd kunnen worden bijgesteld. En in de derde plaats zorgt de stijging met stappen van drie maanden voor ongelijkheid tussen mensen die in opeenvolgende jaren zijn geboren: figuur 2 laat zien dat de verhouding tussen AOW- en werkjaren voortdurend fluctueert. Als in plaats daarvan was besloten om de AOW-leeftijd met een maand per jaar te laten stijgen, zoals overigens het geval was in de jaren 2013-2015, zou de gemiddelde stijging vrijwel gelijk zijn aan de stijging die nu is afgesproken, maar zou de verhouding tussen AOW- en werkjaren voor alle toekomstige AOW’ers hetzelfde zijn.

Beer, J. de, H. van Dalen en K. Henkens, Stijgt de AOW-leeftijd niet te hard? Me Judice, 11 maart 2017. http://www.mejudice.nl/artikelen/ detail/stijgt-de-aowleeftijd-niet-te-hard